Recensie —

Escamp Carré van Geurst & Schulze

Leo Oorschot

De Haagse Interbellumwijken zijn de trots van de stad. Sober tot rijk gedetailleerde, moderne baksteengebouwen worden er afgewisseld met parels van de Nieuwe Haagsche School. Onlangs werd in de wijk Rustenburg-Oostenbroek een ensemble van scholen, woningen en sportvoorzieningen opgeleverd, ontworpen door het architectenbureau Geurst & Schulze. Een gebouw dat naadloos opgaat in de sfeer van de wijk en de oorspronkelijke morfologie van de stedelijke ruimtes in ere herstelt.

De wijk Rustenburg kenmerkt zich door zijn moderne baksteenarchitectuur in geel en rood. De daken van de woningen zijn plat en het overstek is vaak fors. De ramen en banden in de gevel geven het geheel een horizontale gelaagdheid. De woonblokken worden doormiddel van een portiek ontsloten en hebben gewoonlijk drie a vier bouwlagen. Openbare gebouwen in de Haagse Interbellumwijken hebben een dakkap waardoor ze duidelijk herkenbaar zijn. Ook liggen ze vaak op een monumentale plek in de wijk. De oorspronkelijke bebouwing van de locatie waar nu het Escamp Carré ensemble staat, lag langs de Escamplaan in de as van de Tienhovenselaan. De plek was bijzonder omdat het een typisch Haags Interbellumensemble vormde, van openbare gebouwen rond een carré, in dit geval met sportvelden in het midden. Omdat dit binnengebied in de oorspronkelijke situatie geen openbare toegang had, was de stedelijke ruimte intiem en alleen bedoeld voor de buurt. Die intimiteit is in het ontwerp van Jeroen Geurst en Rens Schulze bewaard gebleven. Architectuur en interieur zijn fraai, terughoudend en zorgvuldig gedetailleerd.

Het gebouw straalt van buiten collectiviteit uit, maar binnen is daar helaas geen sprake van. De scholen, kinderopvang en buurtvoorziening zitten keurig naast elkaar in afzonderlijke compartimenten. Terwijl andere gemeenten zoals Rotterdam en Delft de ene na de ander Brede School bouwen waarin samenwerking tot een realiteit wordt gemaakt, bestaat de Brede School in Den Haag slechts uit een aantal naast elkaar geplaatste stedelijke functies. Na het winnen van een Europese aanbesteding in 2005 werd men het namelijk niet eens over wie de opdrachtgever moest worden. Er werd besloten om het project in tweeën te knippen, met vier opdrachtgevers, twee aannemers en twee planningen. De gemeente deed de scholen en Ceres Projecten ontwikkelde in opdracht van woningcorporatie Vestia de appartementen, de kinderopvang en het buurthuis. Door de kundigheid van de architecten Jeroen Geurst en Rens Schulze is het complex toch een geheel geworden en zijn alle kikkers uit de bestuurlijke emmer enigszins dezelfde kant opgesprongen. De rol van de vasthoudende architect blijkt weer eens cruciaal, zeker in Den Haag, het rijk van de duizend eilanden.

De architecten hebben er voor gekozen om de bouwmassa's te scheiden en de as van Tienhovenselaan door te trekken naar het binnenterrein. In de as ligt het korfbalclubhuis. De rechter bouwmassa met het zwembad werd gespaard, het midden- en linkerdeel sloopte men voor de nieuwbouw. Bij de doorgang in het midden zijn de appartement gelegen, met op de begane grond het kinderdagcentrum en het wijkcentrum. De twee middenblokken hebben een plat dak. Het lukte wethouder Norder, als voorzitter van de Stichting Hoogbouw, om er nog een extra verdieping op te krijgen. Deze verdieping kreeg een setback zodat een ander type woning noodzakelijk was en er fraaie penthouses werden ontworpen. In de lifthallen bij de appartementen bevinden zich ruime vides waardoor de appartementen een aantrekkelijk entree hebben. Men woont rond een kleine patio zoals in mediterrane landen zo gewoon is.

In de linker bouwmassa met dakkap zitten beide scholen naast elkaar. Drie bouwlagen met op de begane grond de 'onderbouw', in het midden de 'middenbouw' en daarboven de 'bovenbouw' van iedere school. De scholen zijn lineair van opzet, twee rijen lokalen liggen langs de gevels, met in de middenzone een monumentale trap die de school domineert. Het interieur is volgens het vaste idioom van Geurst & Schulze, alles boven de 1.30m bestaat uit wit gesausde gipsplaten en alles onder de 1.30m is van hout. In de wanden en plafonds zijn de verlichtingsarmaturen in koven weggewerkt. Achter de perforaties in het plafond zijn geluidsabsorberende materialen aangebracht. Door het interieur loopt een lambrisering van hout. De plinten en de bovenlatten van de lambrisering lopen over in de houten kozijnen, zodat er door de hele school een samenhangend beeld ontstaat. Ook banken, kasten en trappen zijn opgenomen in deze houtwereld. In de kap, een onrendabele ruimte volgens bouwkostencijferaars, werden de gymzaal en een enorme speelzaal opgenomen. Omdat gymzalen bij voorkeur geen daglicht mogen hebben zou deze op de begane grond een metershoge gesloten gevel hebben opgeleverd. Dat was de stedelijke beleving niet ten goede gekomen.

De stedelijkheid en monumentaliteit van de wijk aan de voorzijde en de intimiteit en beslotenheid van het carré en de scholen zijn hersteld. Daarmee sluit dit plan aan bij een manier van architectuur en stedelijke ruimten maken die sinds de jaren negentig bepalend is geweest voor Den Haag en zoveel goeds heeft gedaan voor de stad en haar bewoners: de Haagse variant van het New Urbanism.