Feature —

Mag jongerenhuisvesting ook mooi zijn?

Kees de Graaf

Groningen mag zich verheugen in een nog steeds groeiende populariteit als studentenstad. Het zorgt ervoor dat de stad jong en levendig blijft. Keerzijde van de medaille: waar laten we al die studenten? Het tekort aan woonruimte is al jaren groot en blijft groot – de inspanningen van de woningcorporaties ten spijt. En nu probeert de gemeente Groningen ook nog het architectonisch aanzien van nieuwe bouwprojecten voor jongeren omhoog te krikken met de manifestatie BouwJong!. Architectuurcentrum Platform GRAS organiseerde een discussieavond, over de stand van het gewas.

De locatie voor het GRAS-debat was toepasselijk gekozen: het voormalige gebouw van de belastingdienst die verkast is naar de fraaie witte toren van UN Studio. Een betonnen kolos met een hoog DDR-gehalte. De postertjes van creatieve bedrijfjes in de plint maken duidelijk dat de transformatie van het gebouw – in programmatisch opzicht althans – in volle gang is. Naast bedrijvigheid biedt het pand ook ruimte aan studentenhuisvesting. Het kantoor in transitie ligt op een steenworp afstand van de binnenstad en dat willen studenten graag, zo bleek enkele jaren geleden uit onderzoek van de gemeente. Groter, goedkoper, centraler en zelfstandiger: dat zijn in kort bestek de woonwensen van de Groningse studentenpopulatie. Een behoefte die de afgelopen jaren is ingevuld met een aantal grote nieuwbouwprojecten, in zones die daartoe door de gemeente Groningen zijn aangewezen. De containerwoning heeft hier een stevige opmars gemaakt; van de ‘pure’ vorm als gestapelde zeecontainers aan het Damsterdiep tot en met de meer aangeklede variant op het CiBoGa-terrein. De vraag die tijdens het GRAS-debat centraal stond: helpt dit de stad voldoende vooruit?

Stadsbouwmeester Niek Verdonk legde de ambitie achter het BouwJong!-initiatief uit: ‘Studentenhuisvesting is op zich niets nieuws voor Groningen. Al in de jaren zeventig en tachtig hebben we hier plekken in de stad voor aangewezen. De universiteit en de Hanzehogeschool zijn voor deze stad van levensbelang; zij maken het verschil uit tussen Groningen en Apeldoorn – daar gebeurt echt helemaal niets. We willen die studenten dus graag accommoderen.’ Grote vraag is alleen: waar? In de bestaande wijken en panden is de druk groot en huisjesmelkers profiteren daar gretig van. Ook verliep in de afgelopen jaren het samenleven van studenten en ‘Stadjers’ niet altijd even soepel, hoewel uit onderzoek blijkt dat studenten niet meer overlast veroorzaken dan andere stadsbewoners. Voor de gemeente was de elk jaar groeiende instroom van studenten reden om vier zones in de stad aan te wijzen waar grootschalig nieuw gebouwd kan worden. Daar werd nog een ambitie aan toegevoegd, aldus Verdonk: ‘Als we dit doen, dan op een inspirerende wijze.’ Oftewel: een voortzetting van het Gronings architectuurbeleid, met een manifestatie waar we de stad zo goed van kennen (denk bijvoorbeeld aan Blue Moon en De Intense Stad).

BouwJong! zag het licht en architect Marlies Rohmer werd aangetrokken als curator en inspirator. Haar inspiratieboek resulteerde in een dertigtal plannen van architectenbureaus voor 22 locaties. Zelf maakte Rohmer er ook een. Opvallend was dat, toen ze haar voorstel voorlegde aan studenten, deze geen behoefte bleken te hebben aan de ‘parochiale’ ruimte die Rohmer in het ontwerp had opgenomen. Rohmer hierover: ‘Zij zeiden gewoon: “als we iemand willen ontmoeten, fietsen we wel even naar de stad”. Het is allemaal heel erg individueel.’ Bouwprojecten voor studenten zouden juist een bijdrage aan de stad moeten leveren, aldus Rohmer. Jongerenhuisvesting heeft in haar visie op drie schaalniveaus een betekenis voor de stad: in de plint – de overgang tussen straat en wonen; het pleintje – de parochiale ruimte, elkaar tegenkomen maar ook Stadjers; en het gebouw als geheel -bijvoorbeeld door het toevoegen van een poppodium aan het programma. Zelf probeert Rohmer daarom die collectieve kwaliteit wel degelijk hoog te houden. ‘In mijn tijd werd je nog verliefd in het trappenhuis en werden er grote blokfeesten gehouden. Daar zou ook in deze tijd ruimte voor gemaakt moeten worden. Love the one you’re with

Dat je zelfs met containerwoningen interessante collectieve ruimtes kunt maken, bleek uit het ontwerp dat DAAD Architecten heeft gemaakt voor een binnenterrein aan het Hoendiep. Rob Hendriks presenteerde de resultaten van de ‘Modulair Bouwen’-studie die zijn bureau in het kader van BouwJong! heeft uitgevoerd. DAAD bracht de verschillende typen containerwoningen in kaart die momenteel door negen leveranciers gemaakt kunnen worden. Daarmee is meer mogelijk dan alleen maar klakkeloos stapelen. Het ontwerp voor het Hoendiepskwartier, gemaakt voor corporatie De Huismeesters, laat zien dat door inventief schuiven en stapelen van de containers er pleintjes en steegjes gemaakt kunnen worden waarmee aangesloten wordt op het omliggende stedelijk weefsel.

BouwJong! heeft zodoende al veel vernieuwde gedachten opgeleverd. Resteert de vraag: is het genoeg? Pieter Bregman, directeur van woningcorporatie Nijestee, bracht de aanwezigen weer met de voetjes op aarde. Hij vloog de discussie anders aan: ‘Het gaat hier erg over vormgeving, maar waar het echt om gaat is dat de wachttijden voor studenten alleen nog maar toenemen. Per jaar komen er duizend studenten extra bij. En als je in Stad als geheel vorig jaar maar 900 woningen bouwt, boer je dus per saldo achteruit.’ Zelf legde Nijestee de afgelopen jaren de nadruk op tempo maken en leverde diverse containerprojecten op. Het aanbod aan zelfstandige woonruimte voor studenten wordt hier fors mee vergroot, maar Bregman vraagt zich wel af op welke schaal dit soort projecten nog leuk blijven: ‘Ook een enclave kan leuk worden, maar dat is niet maakbaar.’ Zelf ziet hij voor de toekomst het meest in de herontwikkeling van bestaande gebouwen: ‘In Groningen staat 100.000 m2 kantoorruimte leeg. Met een woningmaat van 25 m2 kun je dan 4.000 eenheden maken. Dat schiet pas echt op. Bijkomend voordeel: het zijn herkenbare gebouwen, waarvan je als student kunt zeggen: dáár woon ik.’