Feature —

Paniek op de academies

Marina van den Bergen

Ondanks de malaise in het vakgebied spreken velen over ‘nieuwe kansen’, ‘uitdagingen’, alsof het woord ‘tegenslag’ onheil oproept. Maar hier is echt niets anders van te maken; tegenslag dreigt voor de studenten aan de Academies van Bouwkunst als de nieuwe EU-richtlijn voor beroepskwalificaties ongewijzigd wordt aangenomen.

EU Barcode ontworpen door AMO (2001), copyright AMO/OMA/Rem Koolhaas
EU Barcode ontworpen door AMO (2001), copyright AMO/OMA/Rem Koolhaas

Wat is het geval? Sinds lange tijd is men bezig met het voorbereiden van een Europese richtlijn voor beroepskwalificaties; wanneer mag een architect zich architect noemen? In ieder Europees land gelden nu andere regels. Sommigen moeten na hun studie praktijkervaring opdoen alvorens zich architect te mogen noemen, terwijl anderen aan alleen een masterdiploma genoeg hebben. Besloten is de regels te uniformeren zodat de vestigingsvoorwaarden voor een zelfstandig architect in een van de Europese lidstaten voor iedereen gelijk is. En uniformering is wenselijk in verband met Europese aanbestedingen, je dient immers als architect geregistreerd te staan om te kunnen meedoen.
De nieuwe richtlijn houdt onder meer in men zich pas architect mag noemen wanneer het masterdiploma is behaald én aangetoond kan worden dat je, afhankelijk van de duur van de opleiding, een of twee jaar relevante werkervaring hebt. Wat die werkervaring inhoudt, wordt duidelijk omschreven. Ontwerpers die hun eigen bureau hebben, moeten begeleiding krijgen van een externe mentor.  

De Academies van Bouwkunst konden zich wel vinden in deze regel, werkervaring is immers een onlosmakelijk onderdeel van hun curriculum. De helft van de masterstudie aan de academie bestaat uit ontwerponderwijs, de andere helft uit het opdoen van werkervaring via een relevant parttime dienstverband. In tegenstelling tot de technische universiteiten zouden afgestudeerden van de academies zich direct na hun studie architect (of landschapsarchitect of stedenbouwkundige) mogen noemen.
Een wakkere geest ontdekte onlangs dat de voorgestelde EU-richtlijn toch iets anders is geformuleerd dan men lange tijd dacht. In het voorbereidende wetsvoorstel staat dat de bezoldigde stage moet volgen op de studie. Met andere woorden: ook academiestudenten moeten na hun studie nog twee jaar werken alvorens zich officieel architect te mogen noemen.

Hoe erg is dat? De academies vrezen dat het toekomstperspectief voor hun studenten dramatisch zal verslechteren. Omdat deze studenten al vier jaar werkzaam zijn geweest op een bureau, zullen ze overgekwalificeerd zijn voor de posities die aangeboden worden in het kader van de verplichte bezoldigde stage; overgekwalificeerd met betrekking tot kennis, maar ook met betrekking tot salarisschaal.

De academies zijn nu druk bezig met het organiseren van een lobby om de woorden 'volgen op' uit de richtlijn te krijgen. De tijd dringt. Over enkele weken krijgt de ministerraad een ambtelijk voorstel voorgelegd waarin de formulering dat de beroepservaringperiode moet volgen op de studie voor Nederland onacceptabel wordt genoemd. Mocht de ministerraad en vervolgens het parlement dit overnemen, dan is dat het Nederlandse standpunt in Europa. Vervolgens moet blijken of de academies ook het Europees parlement en de Raad van de Europese Unie kunnen overtuigen. Er zal in Brussel hard gelobbyd moeten worden, want de Nederlandse Academies van Bouwkunst zijn tamelijk uniek, in geen enkel ander Europees land wordt ontwerponderwijs gegeven op basis van het concurrentmodel (deeltijdonderwijs en deeltijdwerk).
Volgens de website van het Bureau Architectenregister zal nieuwe richtlijn voor eind 2012 zijn vastgesteld en gelden voor diegene die na 31 december 2014 hun diploma hebben behaald. Best wel zuur voor alle studenten die dit en vorige jaar met frisse moed een opleiding zijn begonnen aan een van de zes academies.
Wordt ongetwijfeld vervolgd. 

Maandag 6 februari ontvingen wij de volgende reactie van de Academies van Bouwkunst.
Een korte reactie op bovenstaand artikel vanuit het LOBO (Landelijk
Overleg Bouwkunst Onderwijs), waarin de academies verzameld zijn. Ook wij waren onaangenaam verrast toen we kennis namen van de gewijzigde formulering over de volgtijdelijkheid van het verwerven van beroepservaring na de masteropleiding. De academies bieden, al honderd jaar, een onderwijsmodel waarin praktijk en studie synchroon lopen en waarmee aanstaande beroepsbeoefenaren meer dan adequaat worden opgeleid voor de beroepspraktijk. In de nieuwe Nederlandse titelwet, die eveneens op 1-1-2015 zal ingaan, is daarom terecht een artikel opgenomen dat aan afgestudeerden van de Academies van Bouwkunst een vrijstelling verleend kan worden voor de beroepservaringsperiode. In de toekomst kunnen afgestudeerden van de academies dan, net als nu, direct na het behalen van hun mastergraad ingeschreven worden in het register. Immers, deze studenten hebben dan naast een 8 jarig studietraject (4 jaar HBO-bachelor + 4 jaar master) ook 4 jaar praktijkervaring. Deze praktijkervaring wordt door de academies nauwlettend gemonitord en staat gelijk aan tenminste twee jaar 'beroepservaring'. Diverse onderzoeken hebben ook aangetoond dat het praktijkdeel van de academie tenminste gelijkwaardig is aan de beroepservarinsgperiode zoals die in de nieuwe wet is geformuleerd. Zoals het artikel vermeldt is er een uitgebreide lobby op gang gekomen om via de mogelijke kanalen invloed uit te oefenen op de verdere besluitvorming. We ondervinden daarbij veel steun en het Nederlandse standpunt is nu dat deze passage onacceptabel is. We kunnen geen garanties geven over de uitkomst van dit complexe en deels politieke besluitvormingsproces, maar hebben vertrouwen in onze zaak. Wordt vervolgd.

Namens de Academies van Bouwkunst Amsterdam, Arnhem, Groningen,
Maastricht, Tilburg en Rotterdam,
Gert ter Haar, voorzitter

Voor meer reacties klik hier