Opinie —

Het Rotterdam van Kees

Joost Schrijnen

Het tijdschrift Forum gaf de afgelopen jaren een stedentrilogie uit. Na het Amsterdam van Ton Schaap en het Den Haag van Maarten Schmitt verscheen als laatste in de reeks het Rotterdam van Kees Christiaanse. Maandag 12 maart hield Kees Christiaanse tijdens de presentatie van het tijdschrift in het Schieblock een lezing over de naoorlogse ontwikkeling van Rotterdam en zijn persoonlijke betrokkenheid daarbij. Joost Schrijnen, hoogleraar Ruimtelijke Planning en Strategie aan de TU Delft en voormalig directielid van de Dienst Stedenbouw en Volkshuisvesting Rotterdam, zat in de zaal en zet wat kanttekeningen bij zijn verhaal.

De publicatie Rotterdam is tweeledig: een reflectie van Kees Christaanse op recente Rotterdamse stadsontwikkeling en een caleidoscoop van de plannen en projecten die hij voor Rotterdam heeft gemaakt. Bij de presentatie van het tijdschrift blijkt dat ik door de titel op het verkeerde been ben gezet. Het blijkt meer het 'Rotterdam van Kees' te zijn dan Rotterdam. Uit presentatie en tijdschrift blijkt verder een haat-liefde verhouding van Christiaanse met de stad. Hij heeft in 35 jaar een enorme bijdrage geleverd aan Rotterdam, met een reeks voorstellen en gerealiseerde projecten. Dat begon in zijn studententijd en actiejaren, kreeg een vervolg bij OMA en vooral praktische uitvoering met zijn eigen bureau KCAP. Hij is mijns inziens net zo belangrijk voor de stad als Maaskant.
Christaanse bepleit een stadsontwikkeling van stevige structuurvisies, gekoppeld aan een mandje projecten en geld, een strategie die inmiddels in veel steden wordt toegepast. De laatste tijd is de stadsontwikkeling echter wel meer op losse projecten gericht dan op een overkoepelende strategie. Hij verwijt Rotterdam dat er voortdurend sprake is van strategiewisseling en levert daar met zijn projecten natuurlijk een eigen bijdrage aan. In zijn kritiek is het vooral de stadsontwikkeling en met name de stadsvernieuwing van jaren zeventig en tachtig die het moet ontgelden.

Allereerst miste ik node een analyse over de oorzaken van deze strategiewisselingen en de worsteling van de stad met de grote maatschappelijke en ruimtelijke opgaven enerzijds en de tijdsgeest anderzijds. In mijn ogen zijn dat onder andere: de monofunctionele, op CIAM gebaseerde wederopbouw, de slechte woonkwaliteit van de grote arbeidersklasse in vrijwel alle latere stadsvernieuwingsbuurten, het stapsgewijze vertrek vanaf de jaren zeventig van de haven uit het stadcentrum, de noodzakelijke massawoningbouw door de grote naoorlogse bevolkingsgroei, de toenemende immigratie, de massawerkeloosheid van de jaren zeventig en tachtig, het ontstaan van een regionale metropolitane entiteit en zo meer. Nergens koppelt Kees de ruimtelijke ontwikkeling van de stad aan deze economische, sociale en politieke omstandigheden en de daaruit voortvloeiende ruimtelijk opgaven.
Vooral de stadsvernieuwing moet het ontgelden, en het is vooral daar dat je de uitkomst niet kunt kritiseren zonder de omstandigheden waaronder deze operatie tot stand kwam onder ogen te zien. In de door Christiaanse verguisde stadsvernieuwingsaanpak zijn zeker architectonische rampen gebeurd, maar gelukkig herleeft vooral in West een multicultureel leven groter, diverser en intenser dan in menige wereldstad.

Het verlangen naar de moderne stad is eigenlijk al ruim voor de Tweede Wereldoorlog aan de orde gesteld. Zo verhaalt de essaybundel Vijftig jaar wederopbouw Rotterdam. Het historiserende plan Witteveen, waar Christiaanse tijdens zijn lezing op een aantal aspecten zijn lichte voorkeur voor uitspreekt, had om bovengenoemde redenen wellicht minder kans dan het uiteindelijke plan van Van Traa. Dit laatste plan stond in de traditie van de CIAM en mede daardoor is de woondichtheid van het centrum nog steeds veel te laag. Overigens was het Wederopbouwplan van Van Traa uiterst flexibel en adaptief, een kwaliteit waar Christiaanse in de huidige ontwikkeling juist voor pleit. Het plan heeft jarenlang prima gefunctioneerd, nu nog steeds eigenlijk. Alleen in de jaren zeventig en tachtig werd geforceerd gestreefd naar een meer gezellig en gemengd stedelijk milieu, en helaas was dat ook de tijd van de nieuwe truttigheid die de verschijningsvorm van een aantal projecten bepaalde.

Belangrijker nog is dat het wederopbouwplan niet een binnenstad aan de rivier als ambitie had, zoals Christiaanse stelt, maar een zicht op de haven mogelijk wilde maken. Hij vergeet dat de primaire wederopbouwtaak direct na de oorlog de wederopbouw van de haven was, die havenactiviteit bleef ook aanwezig in het centrum, evenals op de Wilhelminapier en in de Havenbekkens op de Kop van Zuid. De door Christiaanse als dramatisch gekenschetste sloop van de Bijenkorf van Dudok, heeft uiteindelijk de schaalsprong naar stad aan de rivier wél mogelijk gemaakt, dankzij het ‘venster’. Het venster is inderdaad ook weer deels dichtgebouwd, maar de zichtbare pyloon van de Erasmusbrug maakt dat ruimschoots goed, en de afwisselend van de Noord Zuid Stadsas gelegen havenbekkens hebben hun oorspronkelijke functie verloren, maar zijn wel belangrijke stedelijke ruimten geworden. (Laat de Maashaven daarom open, in tegenstelling tot de suggesties van Adriaan Geuze.)

Christiaanse beschrijft Rotterdam als een serie brandhaarden die doven en op nieuwe plekken weer oplaaien. Ook constateert hij dat de stad bestaat uit een reeks min of meer geïsoleerde eilanden, gescheiden door corridors. Op eenzelfde wijze doet ook Frits Palmboom een poging de 'schotsen' van Rotterdam te beschrijven in Rotterdam, verstedelijkt landschap (Uitgeverij 010, 1987). Christiaanse lijkt het eilandkarakter te willen handhaven, hij kritiseert het in elk geval nauwelijks. Ik vind juist dat de aandacht naar de breuken zou moeten gaan. Door de verdichting van het stadscentrum (overigens tegelijk met de ontwikkeling van de Kop van Zuid en andere oude havens) is de samenhang in de stad enorm toegenomen. Een aantal van de breuklijnen is inmiddels gerepareerd, vooral op de oude grensvlakken van stad en haven (die achter gesloten hekken lag), en door bijvoorbeeld de brug naar Katendrecht, de Parkway in West en dergelijke. In dat nieuwe netwerk ontstaan inderdaad nieuwe brandhaarden met nieuwe stedelijke energie, terwijl de oude niet doven. Inmiddels hebben we twee Lantaren Vensters, twee Luxors. En er is een recentralisatie naar de Kop van Zuid gaande met de komst van Havenbedijf, de diensten, Deloitte/AKD Princen, en Ernst & Young, Belastingdienst en Rechtbank. Gelukkig dat er een 'trukendoos van de liberale sociaal-democratie' bestond, zou ik zeggen – in plaats van daarop te schimpen zoals Christiaanse doet. Die trukendoos heeft deze recentralisatie gestuurd en geprogrammeerd en daardoor mogelijk gemaakt in deze rijke stad met arme mensen. De markt zou dat niet autonoom voor elkaar hebben gekregen. In dat perspectief was de sprong naar de Kop van Zuid niet naïef (zoals Christiaanse stelt) maar in mijn ogen noodzakelijk, vooral ook om de gewenste woondichtheid rondom het centrum te bereiken.

Christaanse zingt de lofzang op de acupunctuur van de Meent en omgeving. En terecht. Toch is zijn eigen bijdrage aan de Laurenskwartier met Blaak 31, eerder nog van het oude stempel en het grote object, dan passend in de noodzakelijke verfijnde aanpak die het stadsweefsel daar nodig heeft. Herontwikkeling van het daar gesloopte wederopbouwpand behoorde kennelijk toen nog niet tot het mogelijke vocabulaire.

De visie van ETH-Zurich om het stadsweefsel rondom de Lijnbaan binnen de 'stadschotsen van de binnenstad' aan te pakken vind ik eigenlijk minder acuut dan het aanpakken van een volgend aantal grote breuklijnen in de stad, namelijk Hofplein en omgeving om verbinding te maken met het te ontwikkelen centraal stationsgebied, de West Blaak en Blaak, om de sprong naar de rivier te versterken en op termijn de Boompjes zelf.

Aan het eind van zijn tekst schildert Christaanse een vergezicht op 14 mei 2040, in de hoop dat hij dan nog leeft en met zijn vrienden geniet van de stad. Een droom die ik holistisch vind verwoord, dit in tegenstelling tot zijn kritiek op de stadsontwikkelingspraktijk. In zijn fantasie stelt hij zich voor dat hij vanaf zijn pensioengerechtigde leeftijd (2018) zeven jaar directeur stadsontwikkeling zou zijn. Als ik nu wethouder Stadsontwikkeling zou zijn zou ik hem per ommegaande aanstellen en hem vragen fulltime de volgende transitie van de stad te begeleiden. Ik veronderstel dat dan zijn mildheid toe zou nemen door het slechten van de weerbarstige opgave in deze stad, en door het succes van het gewenste resultaat. Ver voorbij het discours over de architectonische gestalte.