Opinie —

Hoe authentiek is de traditie?

Piet Vollaard

Misschien is het de crisis, misschien de vervreemding die samenhangt met de globalisering, misschien zit het gewoon in onze genen. Waar het ook vandaan komt, we lijken tegenwoordig meer dan ooit hartstochtelijk te verlangen naar authenticiteit. Na het lezen van twee publicaties: Rousseau en ik en het recente nummer van DASH, die elk aan dat verlangen refereren, is er echter maar één conclusie mogelijk: het idee van authenticiteit is doordesemd van paradoxen en waarschijnlijk een moderne fictie. We kunnen het begrip in de architectuurdiscussie maar beter mijden.

Jean-Jaques Rousseau (1712-1778) is zonder twijfel de bedenker, en zo niet, dan toch de belangrijkste propagandist, van het idee dat we ‘natuurlijk, ‘echt’, ‘oorspronkelijk’ en ‘eerlijk’ moeten zijn en dat er een authentieke ‘ik’ zou zijn die deze kwaliteiten van nature in zich draagt. Het is de verdienste van Rousseau geweest dat hij in Émile of Over de opvoeding de ontplooiing van dit eigen ik in de opvoeding en educatie een rol heeft gegeven. Wat je er verder van denkt, ons hedendaags onderwijs zou zonder dat idee totaal anders zijn ingericht, de hedendaagse psychologie zou misschien niet eens hebben bestaan.
In zijn essay Rousseau en ik. Over de erfzonde van de authenticiteit beschrijft cultuurfilosoof Maarten Doorman hoe Rousseaus idee van authenticiteit een groot deel van ons leven en denken is gaan bepalen. Tegelijkertijd laat hij zien hoe paradoxaal, hoe vals soms, dat idee eigenlijk is. Dat begint al met het leven van Rousseau zelf. De man die in Emile zo gevoelig met de kinderziel omgaat, legde zijn vijf eigen kinderen te vondeling. De propagandist van de ware hartstochtelijke liefde, maakte zijn vrouw onder zijn vrienden uit voor een domme gans. En de ontdekker van ‘de ware, eerlijke natuur in onszelf’ was nogal paranoïde en ging zich te buiten aan potloodventen en diefstal. Nu zou je nog kunnen zeggen dat je de man niet moet verwarren met zijn ideeën, en feitelijk is dat ook zo, maar het is wel paradoxaal om zoiets aan te moeten roepen ter verdediging van een iemand die nota bene zelf het authentieke, eerlijke en persoonlijke zo’n belangrijke plaats gaf.

Maar ook zonder Rousseaus leven als bewijsstuk aan te voeren is het idee van authenticiteit tegenstrijdig. Want waarom moet de opvoeding van Emile tot een natuurlijke, authentieke volwassene bijvoorbeeld door middel van een strak educatief programma, door dwang dus, worden bereikt? Hoe natuurlijk is dan het resultaat?
Of, om maar direct naar het heden te springen, hoe natuurlijk is dat ambachtelijke, ‘echte’ brood van onze bakker, hoe waarachtig de souvenirwinkel van Sijtje Boes, hoe echt onze boter, hoe oprecht onze politicus, hoe waarheidsgetrouw onze fotojournalistiek, hoe ‘natuurlijk’ onze natuur? Wie, zoals Doorman stelt, met deze vragen om zich heen kijkt, ziet niet alleen in de reclame, maar echt overal authenticiteitparadoxen opduiken. Hoe meer de nadruk op echtheid en eerlijkheid wordt gelegd, hoe zekerder je ervan kunt zijn dat er iets niet klopt, dat er sprake is van een leugen. Het verlangen is echt en heeft waarde, maar het feit is fictie.
Doorman kan het echter niet nalaten toch een uitweg uit de paradox te bedenken. In de laatste pagina’s pleit hij, zonder nu echt in te gaan op de vraag hoe dat dan zou moeten, voor herijking van het begrip authenticiteit door ons te richten op kwaliteit en traditie.

En daarmee zijn we opeens midden in de discussies in het eigen vakgebied beland, want de traditie en de daaraan gekoppelde kwaliteiten, zijn de afgelopen jaren inzet geweest van een heuse polemiek. Helaas wordt dat debat tot op heden niet op al te hoog niveau gevoerd. Toch is het onderwerp de moeite van het overdenken meer dan waard. Want hoe dan ook, het verlangen naar authenticiteit bestaat. En dit verlangen lijkt voor veel mensen vooral te worden vervuld door verwijzingen naar het verleden, naar traditie.
In het recente nummer van DASH, getiteld ‘Wonen in een nieuw verleden’ tracht de redactie de discussie over traditie naar een hoger plan te tillen. De titel is net zo paradoxaal als Rousseaus idee van authenticiteit, want hoezo kan een verleden nieuw zijn? Een paradox die ook al in de titel van het boek De Nieuwe Traditie van Hans Ibelings en Vincent van Rossem zat. Maar in de essays in DASH wordt de kwestie knap omzeild door het begrip traditie te vervangen door continuïteit en evolutie. Dick van Gameren, in zijn artikel ‘Reculer pour mieux sauter’, en Cor Wagenaar in zijn stuk ‘Nieuw bestaat niet’, geven talloze voorbeelden van de stapsgewijze ontwikkeling en het heen en weer verwijzen naar de geschiedenis van verschillende architectonische ideeën vanaf de negentiende eeuw tot het heden. Ze slechten daarmee overtuigend de veronderstelde muur tussen het traditionalisme en het modernisme. Juist de wederzijdse verkettering, waarbij het modernisme van alle hedendaagse kwalen wordt beschuldigd en het traditionalisme als populistische marketingstunt wordt weggezet, heeft de discussie geen goed gedaan.
De artikelen over Paul Schmitthenner, over het Kritisch Regionalisme en vooral het interview met de drie generaties Bedaux, een bureau dat zelf al het levende bewijs is van de kunstmatigheid van de tegenstelling traditionalisme/modernisme, nuanceren dit onderscheid verder en richten zich op de continuïteit van kwaliteit. Die kwaliteit wordt nog eens benadrukt in de plandocumentatie van tien voorbeeldige projecten.

Wellicht dat de redactie daarmee onbedoeld bewijsstukken aanvoert voor Doormans uitvlucht uit de authenticiteitparadox door ons te richten op kwaliteit en traditie. Dirk Baalman begint zijn artikel ‘Oud tekenen en oud denken’ met het voorbeeld van de nieuwe straatverlichting in Deventer: moderne LED-lampen in een replica van negentiende-eeuwse straatlantaarns, inclusief de armen voor de ladder van de lantaarnopsteker. En dat alles in een wijk die vanwege de oorlogsschade in de jaren vijftig opnieuw is gebouwd. En daar is íe weer: de authenticiteitparadox. Om dergelijke gekte te pareren haalt Baalman een traditioneel, negentiende-eeuws begrip van stal: karakter. Een notie, aldus Baalman, die ‘stoelde op de vraag op welke wijze architectonische vormen het best alle aspecten tot uiting kunnen brengen die relevant zijn voor ‘goede’ architectuur.’ Functie, constructie, context in de meest brede zin, inclusief de sociaal/maatschappelijke en politieke omstandigheden, tot en met de eigenheid van de locatie; het speelt allemaal mee in het vinden van karakter. Zo breed geformuleerd is karakter niet veel anders dan de set voorwaarden die de rijksbouwmeester Tjeerd Dijkstra in de jaren tachtig van de vorige eeuw formuleerde voor architectonische kwaliteit.

Het verlangen naar authenticiteit is met deze focus op kwaliteit echter nog niet verdwenen. Het zou bovendien een misverstand zijn om te denken dat dit romantische verlangen in ons vakgebied vooral tot uiting komt in traditionalistische woonwijken met quasi authentieke namen op de bouwborden als -Staete, -Haeghe, -Stede, en -Dreef. Ook het modernisme is – misschien nog wel sterker dan het traditionalisme – doordrongen van het romantische ideaal. Want laten we niet vergeten de modernistische avant-garde met de totale verwerping van alles wat daarvoor bestond, evengoed het ‘ware, echte en eerlijke’ en dus authentieke zocht. De gedachte dat bijvoorbeeld Koolhaas’ CCTV gebouw ‘nieuw en totaal van deze tijd’ en daardoor authentieker of eerlijker zou zijn dan pakweg de straatlantaarns van Deventer, is net zo onhoudbaar als Rousseaus idee van zuivere natuur. Die straatlantaarns zijn onmiskenbaar nieuw, en gisteren geplaatst, dus van deze tijd. Of ze daarmee waarachtig zijn, dat is een andere kwestie.