Feature —

Bottom-up in Arcam: het debat

Xander Vermeulen Windsant

Na de presentatie van zes bottom-up gerealiseerde projecten een week eerder organiseerde Arcam op 14 april een debat over de betekenis van dergelijke projecten voor de stad en haar ontwikkeling in brede zin. Een topdown blik op bottom-up dus. Aan tafel zaten Cor Wagenaar (TU Delft), Mariska van den Berg (onderzoeker), Ton Schaap (DRO Amsterdam) en Bart Stuart (bureauspelen).

Singeldingen in Rotterdam

In twee inleidende presentaties verkenden Cor Wagenaar en Mariska van den Berg het speelveld. Volgens Wagenaar is het historisch namelijk niets bijzonder aan bottom-up projecten. Eerder is het ‘tegengestelde’ topdown een uitzondering. Van 1850 tot begin 20ste eeuw, een periode waarin de Nederlandse steden een ongelooflijke groei doormaken, ontwikkelt de stad zich puur bottom-up. Pas in het begin van de twintigste eeuw komt er stap voor stap topdown regelgeving die als een soort rampenbestrijding de negatieve gevolgen van die groei probeert te bestrijden. Daar wordt de basis gelegd voor stedenbouw zoals we die nu kennen. Van hygiënemaatregelen en sociale ingegrepen die de stad tot een (esthetische) eenheid moeten smeden, tot grootschalige infrastructuurvisies, wordt de van bovenafgestuurde agenda steeds groter en meer omvattend, tot ze met de wederopbouw een allesbepalende status krijgt. Bottom-up ontwikkelingen verdwijnen ondertussen niet, maar moeten zich steeds meer voegen naar ‘topdown’ opgelegde kaders en verdwijnen zo als vormende kracht naar de achtergrond. Zoals Tracy Metz, aanwezig in het publiek, treffend stelt, is met de financiële crisis een grote barst geslagen in het topdown systeem van de stedelijke ontwikkeling en worden de bottom-up initiatieven door de scheuren heen eindelijk (weer) zichtbaar.

Mariska van den Berg vertelt over haar recente onderzoek naar 27 culturele projecten. Vaak zonder dat daar van te voren bewust op wordt ingezet, leiden deze bottom-up initiatieven tot nieuwe plekken voor ontmoeting in de openbare ruimte. Daarbij ontstaat een nieuw soort publiek domein, in de stadssociologie wel ‘parochiaal domein’ genoemd. De initiatieven eigenen zich namelijk een deel van de openbare ruimte toe, die daardoor zijn (vaak als negatief ervaren) neutraliteit verliest. Dat roept natuurlijk vragen op over de status en de rol van de instituties daarbij. Want van wie is de stad? Als voorbeeld laat Van den Berg de buurttuin op het Afrikanerplein in de Transvaalbuurt in Amsterdam-Oost zien. Dit succesvolle initiatief is nu in gesprek met het stadsdeel om niet alleen het gebruik maar ook het beheer van dit stuk openbare ruimte over te nemen. Twee andere voorbeelden, Singeldingen in Rotterdam en een project in Hustadt, Bochum (Duitsland), laten eenzelfde soort ‘verovering’ van een stuk openbare ruimte door betrokken burgers zien.

In het daaropvolgende debat waarbij ook Ton Schaap en Bart Stuart aansluiten, gaat het al snel over de vraag hoe de instituties met die bottom-up projecten moeten omgaan. Betekent het feit dat er buiten hen om initiatieven ontstaan, dat de instituten falen? Misschien, maar dat is alleen zo als je blijft denken vanuit een overheid en gelieerde partijen, die de burger bij de hand nemen en in al zijn behoeften, van wieg tot graf, voorzien. Dat verwachten actieve burgers die met hun eigen plannen komen al lang niet meer. Daarbij is hun houding niet anti-institutioneel, zoals misschien in de jaren zestig en zeventig het geval was, maar vooral pragmatisch. Wagenaar wees op de Duitse Baugruppen, hét voorbeeld van bottom-up dat altijd wordt genoemd, die juist de flexibiliteit van de initiatiefnemers om binnen de (institutionele) kaders hun leefomgeving vorm te geven, al zijn die in Duitsland natuurlijk anders dan in Nederland, laten zien. De instituties zijn daar nog niet op ingesteld, en het gebrek aan expliciete medewerking roept weerstand op bij burgers met een eigen plan. Dat ongenoegen werd door Ton Schaap, al decennia lang topdown stedenbouwer pur sang, goed aangevoeld toen hij zich aan het begin van het debat quasi ironisch introduceerde met de uitdagende woorden: “kom maar op met de rotte eieren en tomaten!”. Niet voor niets bleek uit de eerder gepresenteerde projecten dat ergens in het proces een guerrilla-actie noodzakelijk was om een doorbraak te forceren en de instituties voor een voldongen feit te stellen.

Maar daarin schuilt wel een risico: want hoewel de bottom-up initiatieven kansen bieden voor sommigen, is deze manier van werken niet voor iedereen geschikt. De tijdens de eerste Arcam-bijeenkomst gepresenteerde projecten werden gedragen door mondige, actieve en geëmancipeerde burgers, vaak (semi)professioneel betrokken bij de ruimtelijke ordening. Wat als je niet mondig bent, of een totale leek, of niet in staat bent de energie op te brengen die deze projecten nodig hebben, zoals Ton Schaap stelde? Of als je, ondanks het sympathieke karakter, zo’n bottom-up project niet voor je deur wilt? Mag je zo’n project dan ook bottom-up slopen?

De hoofdvraag van dit debat, of bottom-up initiatieven een nieuwe, structurele rol bij de ontwikkeling van de stad kunnen vervullen, was daarmee niet zo snel beantwoord. Je kunt je ook afvragen of die vraag niet typisch ‘topdown’ is geformuleerd, en daarmee niet helemaal gepast. Misschien ligt de essentie van bottom-up projecten vooral in het proces en dan met name in het collectieve karakter van dat proces. Alle voorbeelden laten een samenwerking zien van relatief kleine groepen die aan een ruimtelijk project werken. Dit zijn betrokken mensen die als collectief tussen de individualistische ‘stadsconsument’ en het anonieme super-schaalniveau van de instituties opereren. Wat dat betreft zijn de bottom-up initiatieven meer dan een product van de economische crisis waarin de instituties (tijdelijk?) niets meer voor elkaar krijgen. Misschien zijn de bottom-up projecten veeleer de ruimtelijke afspiegeling van de nieuwe sociale en maatschappelijke organisatiestructuren, die ook zichtbaar worden door de sociale media.

Dat vraagt om een nieuwe rol van de overheid. Eén allesomvattend verhaal, ruimtelijk en financieel verbeeld in masterplannen, werkt dan niet meer. Zoals Stuart tijdens het debat stelde: het gaat dan niet meer om het werken vanuit uitgewerkte beelden maar om het managen van uitzonderingen. Dat iedereen, maar vooral de instituties, nog moet wennen aan de nieuwe situatie is duidelijk. Voor Maarten Kloos reden om te concluderen dat deze avond zeker niet het laatste debat over dit onderwerp zal zijn. To be continued.