Recensie —

De Nieuwe Boer

Jacob Voorthuis

Het staat er allemaal wat afzonderlijk bij, alsof het dit keer menens is. Waar beter om de nieuwe boer ten tonele te voeren dan op het grondgebied van een oude boerderij in Brabant? Atelier Van Lieshout realiseerde op 13 Hectare de tijdelijke installatie Agricola Novus.

De wethouder die de tentoonstelling opent ziet in Agricola Novus van Atelier van Lieshout een embleem van de tegenwoordige boer die volgens haar “flexibel”  moet zijn en “samen moet werken”. Mooie woorden die doen vermoeden dat ze de rondleiding nog tegoed had. De door Atelier van Lieshout geschapen nieuwe boer is de beschaving voorbij, opnieuw getribaliseerd, half-nomadisch, vindingrijk in het hergebruik als een Cubaanse automobilist, maar boven alles is hij bang, agressief, of allebei. Waar de eerdere ruimtes en omgevingen van Joep van Lieshout wellicht het lege bestaan van de georganiseerde arbeid thematiseerden en daarmee de lach van het absurde ontlokte, wordt het in Agricola Novus grimmiger; de wereld is weer vol goden geraakt en is klein geworden, zeer klein. Het gaat  louter nog om overleving.

Het centrum van de tentoonstelling wordt ingenomen door een gigantisch verplaatsbaar kanon WWIII (2010) geïnspireerd op een modern Amerikaans model en uitgevoerd in hemelsblauw waarmee haar ontegenzeggelijk machistische elegantie volop de ruimte krijgt. Rond het kanon staan de losse onderdelen van een kleine in zichzelf gekeerde gemeenschap opgesteld, op een manier waarbij niets als vanzelfsprekend kan worden geacht, zeker niet de gemoedsrust: er staat een gigantisch, bijna verdacht fornuis, een readymade, naast een militaire tent voor samenkomst. Daarnaast is er de Graz Container (2000) waar gekookt kan worden en de experimentele insectenbroedplaats (2012) voor het kweken en drogen van eiwitrijk voedsel. De containerwerkplaats voor wapens en bommen (1998) met zijn samenzweerderige intensiteit staat erbij alsof hij net is verlaten. Daartegenover ligt Tempel (2012) een ingegraven kapel met lichtkanonnen. De god die er in gehuisvest wordt is een Trechterhoofd in brons (2012).
Kennis wordt tegen wil en dank het hoofd ingegoten en gaat daar zijn gang voor zowel goed als kwaad. Het betreft hier een oude Socratische metafoor ingezet om de ambivalente status van kennis te relativeren, zo niet verdacht te maken – zoals toen in die andere tuin, waar het avontuur van het boeren begon na een episode met een appel, een slang, een man, een vrouw, een god en een genegeerde waarschuwing. Als laatste is er het huis, de Hagioscoop, (2012) gemaakt van polyurethaan, glasvezel en aarde: oersterk, kleurloos, membraanachtig en vooral moedeloos.

De Hagioscoop wordt gevormd door  een serie op elkaar gerichte kamers, ruwweg in de vorm van een Grieks kruis met kleine gaten voor ramen. Van buiten oogt het anoniem, somber en… eng. Maar juist door die kleine gaten dringt het licht op wonderschone wijze binnen en doet de ruimte leven met diepte, glans en het vormelijk vermogen van licht en schaduw. Uitzicht als genot is de boer niet gegund, inzicht in zijn benauwd geschapen wereld des te meer. De kamers zijn op basis van functie verdeeld, met links van de lage deur een bijna labyrintische werkkamer met een verwarrende stellage aan kasten, daarnaast een ondiepe kamer met brede horizontale planken aan de muur waarop primitieve potten prijken, dan een donkere grot als slaapvertrek en als laatste het grootste vertrek met een trog of badkuip: het is een lege stal met kleine plasjes water op de vloer. Onder een gat naar de hemel in het centrum hangt een amorfe homp aan een gevorkte pees te drogen. Vlees. Wat voor vlees? Ik durf het niet te zeggen. Het geheel is een indrukwekkende, afstotende en fascinerende ruimte, niet alleen door zijn moeizame associaties met het alledaagse, zijn suggesties over de toegenomen rauwheid van het leven van de toekomstige boer, maar ook gewoon omdat het licht op een ontwrichtende manier naar binnen komt en er een verontrustende, cryptische ruimte van maakt, vooral als je er even alleen in mag vertoeven.

Vanaf de centrale nederzetting lopen paden naar de randen van het territorium. Hier wordt de leegte en verlatenheid van het centrum opgevuld met verhalen die de sfeer kunnen verklaren. Aan het eind van een lange as staat een ruiterstandbeeld, Monument (2010), een beeld zoals ook in een barokke stad te vinden is. Een elegant steigerend paard met een ruiter op zijn rug, centraal geplaatst als uitroepteken aan het einde van een met bomen gezoomde laan. Er naar toe lopend, is het even moeilijk de rol van dit ensemble te plaatsen in de context. Het paard oogt vriendelijk, heeft iets karikaturaals; het plaatst een hoef zachtjes op het hoofd van een mannetje dat er bij staat en er in het geheel niet onder gebukt lijkt te gaan. Het doet  vermoeden dat hier sprake is van een beeldhouwers’ truc om het paard stabiel te houden op zijn sokkel. Maar loop om het beeld heen en zie opeens, aan de achterkant een opengereten man, door midden gesneden en hol en naar achteren geklapt. De figuren zijn kleiner dan het leven, het zijn niet veel meer dan abstracte poppen waarmee ook wel de wegbebakening begrijpelijk wordt gemaakt; gruwelijkheden teruggebracht tot een geneutraliseerd verkeersbord. De ruiter valt de nederzetting aan, zoveel wordt ons duidelijk gemaakt.

Iets verderop, minder in het zicht, wordt dit verhaal bevestigd. Daar kruipt een vrouw over haar kind (2010) om het te verdedigen. Iedere pretentie, iedere beschaving is van het lichaam van de moeder verdwenen. Er is alleen nog het kind, de dreiging en haar lichaam dat beiden dient in het dierlijke gebaar. De welvingen, holtes en spleten van de vrouwelijke erotiek gaan op in primaire angst. Weer verderop ligt een lijk te rotten (2010). Andere beelden thematiseren verering. Ergens, verlaten, staat een oud busje omgebouwd tot kippenhok. De boer van de toekomst improviseert een nieuw leven waarin betekenis elementair is geworden.
Het is, alles tezamen, een klein onderdeel van het steeds groter wordende toekomstuniversum van Joep van Lieshout en zijn Atelier; zijn ondervraging van macht, organisatie, consumptie en productie, een virtuele ruimtelijk gemaakte wereld ter reflectie. Onze aandacht wordt met name gevestigd op plaatsen waar er kortsluiting is ontstaan in het normale. Van Lieshout heeft een haarscherp gevoel voor maatschappelijke kortsluiting, daar zit vast en zeker een aspect van het geheim van zijn magistrale wereld.