Feature —

Van Academies en Lectoren

Jasper de Haan

Op zaterdag 31 maart kwamen in het NAi zo’n 20 mensen bij elkaar voor een studiemiddag van de gezamenlijke Academies van Bouwkunst. Het onderwerp: ‘Het praktijkgerichte onderzoek aan de Academies´, of beter: aan de hogescholen waaronder die Academies van Bouwkunst dan weer vallen. Dat onderzoek wordt vaak onder supervisie van een zogenaamde lector uitgevoerd, een fenomeen dat we op het hbo pas sinds het begin van de 21e eeuw kennen. Wat doet zo’n lector en waarin onderscheidt hij of zij zich van de hoogleraar op de universiteit?

Wat de hoogleraar is voor een universiteit, zou de lector aan een hogeschool moeten zijn. Door de invoering van het bachelor/mastersysteem en doordat ook hogescholen steeds meer masters opleiden, in plaats van alleen maar bachelors, komen er steeds meer lectoren. Of dat nou allemaal zo wenselijk en praktisch is, is de vraag. De vaak enorme fusieconglomeraten van hogescholen hebben een grenzeloze ambitie om universiteitje te spelen. En ook Europese regelgeving pleit steeds meer voor het kleiner worden van de verschillen tussen een beroepsopleiding en de universiteit. De academies van bouwkunst zijn in dat geheel een anomalie, aangezien die van oudsher al studenten tot “masters” opleiden, terwijl ze er ook nog bij werken. Soms vallen ze onder een kunsten-hbo (Amsterdam) maar ook net zo gemakkelijk onder een technische poot (Rotterdam). De wijze waarop zo’n lector aan een academie verbonden is, is verschillend. En ook verschillen de manieren van onderzoek per hogeschool c.q. academie nogal. Het is de vraag of archetypische beroepsopleidingen als academies van bouwkunst nu de geëigende plaatsen zijn voor onderzoek. Hoewel de naam anders doet vermoeden, is er vaak weinig academisch aan een academie van bouwkunst. Dat is ook helemaal niet erg, studenten zijn daar vooral om een vak te leren en meestal niet om een wetenschappelijke carrière na te streven. Het architectuurtheoretisch onderzoek aan universiteiten zou daarentegen soms best wat meer invloed uit de praktijk mogen hebben.
Het grootste probleem van onderzoek aan hbo-instellingen lijkt vooralsnog dat de lectoren geen beschikking hebben over promovendi, die op universiteiten de bulk van het onderzoekswerk doen. De lectoren zijn vaak voor maar één of twee dagen per week verbonden aan een hbo en opereren daar redelijk geïsoleerd.

Die zaterdag waren lectoren die verbonden zijn aan de academies van Amsterdam, Rotterdam, Tilburg en Arnhem bijeen om onder leiding van Gert ter Haar, directeur van de academie van bouwkunst in Groningen, te praten over het praktijkgerichte onderzoek. De verborgen agenda, zo bleek later, was dat dit een eerste poging was om tot een samenwerking tussen de academies van bouwkunst te komen. Het lijkt, zeker in het licht van krimp en crisis, een erg goed idee dat de academies hun krachten bundelen waar dat kan. Maar dan valt er wel nog het één en ander af te stemmen, want de verschillen tussen de lectoraten zijn groot.

Marc Glaudemans, behalve de directeur van de academie in Tilburg ook lector Stedelijke Strategieën aan de Fontys Hogeschool voor de Kunsten mocht de middag openen. Dit lectoraat in Tilburg wordt voornamelijk ingevuld door het geven van nascholing aan stedenbouwkundige professionals. De afgelopen vier jaar heeft Glaudemans een reeks van workshops georganiseerd van Odessa tot Fukuoka, waarbij een groep stedenbouwkundigen ter plaatse een lokaal stedenbouwkundig probleem te lijf gingen. Iedere keer met een wisselend team van studenten, docenten en lokale experts. Vanzelfsprekend levert zo’n team, dat gedurende een korte tijd fris en onbevangen aan een afgebakende opgave werkt, allerlei interessante resultaten op. Maar waar en hoe nu precies de onderzoekscomponent te vinden was, bleef onduidelijk.

Rogier van de Berg, hoofd stedenbouw aan de academie in Amsterdam mocht de lectoraten van Jan Peter Wingender, Thomas Oles, Henk Hartzema en Ton Schaap presenteren. In Amsterdam worden de lectoren als een soort superdocent ingezet in het onderwijs, waarbij de masterstudenten een deel van het onderzoek ook uitvoeren. Het lectoraat is in hun ogen niet wetenschappelijk, maar de resultaten van de onderzoeken vinden gelukkig wel hun weg in publicaties, die overigens meer dan de moeite waard zijn. Daarnaast fungeert de lector als intermediair tussen het onderwijs en praktijk. Maar soms ook naar de politiek – de lijnen via Ton Schaap naar wethouders zijn kort – waarmee projecten ingezet kunnen worden in de actuele discussies over de stad.

De meest interessante bijdrage van de middag kwam van Wim Nijenhuis, lector aan de Artez Hogeschool in Arnhem. Het betrof een bloedserieus experiment (Plein12) waarbij studenten op een geforceerde manier gedwongen werden om theoretische uitgangspunten in hun ontwerpactiviteiten mee te nemen. Met als doel om reflectie en discours in het ontwerpproces te krijgen. Op basis van Richard Sennetts ideeën over de ambachtsman en Peter Sloterdijks beschouwing over de werkplaats, werden groepen studenten volgens een strak stramien gedwongen om afwisselend te reflecteren en te ontwerpen. Dat onder leiding van steeds twee docenten waarin één de theorie en de ander het maken vertegenwoordigde, zoals bijvoorbeeld: Rixt Hoekstra en Martine de Wit, Lara Schrijver en Ralph Brodruck. Makend ontwerpen, onderzoek en reflectie wisselden elkaar af volgens een vooraf opgelegd schema. Het experiment werd uitgevoerd in een verlaten klooster, de werkplaats, om zo Sloterdijks ascese in retraite zo letterlijk mogelijk te benaderen. In die werkplaats werd afscheid genomen van Renaissance begrippen als roem, bewondering en originaliteit. Natuurlijk leiden dit soort experimenten niet tot prachtige gelikte eindbeelden. Wat misschien ook nooit de bedoeling moet zijn van onderwijs. Maar wel dragen deze activiteiten bij aan het oefenen wat niet alleen volgens Sennett zo noodzakelijk is om het vak onder de knie te krijgen. Daarnaast is zo’n experiment als ontwerponderzoek te beschouwen. Zeker daar in dit geval, het ontwerp volgens een vast vooraf opgelegd stramien werd uitgevoerd waarbij de parameters, zoals bijvoorbeeld het materiaal, zo beperkt en gelijk mogelijk gehouden werden.

Tot slot mocht de net aangetreden lector sustainable architecture & urban design aan het kenniscentrum sustainable solutions RDM in Rotterdam, Duzan Doepel, het woord voeren. Hij liet zien hoe het werk uit zijn praktijk, vanaf zijn afstuderen, uiteindelijk op een vrij organische wijze leidde tot dit lectoraat. De plannen om daadwerkelijk twee comfortabele maar uiterst duurzame woningen te bouwen op het RDM terrein en daar metingen mee uit te voeren, lijken meer dan interessant. Vooral ook omdat met dit onderzoek een samenwerking gesmeed wordt tussen de academie met z’n mastersopleidingen, de hogeschool, maar ook met de beroepsopleidingen van het Albeda college dat ook op Heiplaat is gevestigd.

Een eindconclusie was na deze caleidoscopische middag moeilijk te trekken. Dat de academies van bouwkunst samen moeten gaan werken lijkt evident. Al was het alleen maar om al die kleine geïsoleerde initiatieven een groter publiek te geven en door middel van peer review de kwaliteit en het niveau van het onderzoek veilig te stellen. Onderzoek aan een hbo is iets anders dan aan een universiteit. Maar zeker nu universiteiten hardop nadenken over promoveren op een ontwerp of zelfs op zoiets als een compositie, ligt er misschien een kans om het pure wetenschappelijke onderzoek bij de universiteiten te laten en het meer toegepaste, praktijkgerichte onderzoek naar de hogescholen te trekken. Het eeuwige probleem voor ons vak – en in dit geval vooral ook voor de TU’s – is dat architectuur en stedenbouw altijd behoren tot zowel de alpha- als de beta- en ook de gammawereld en dat architectuur ook nog tot zowel de autografische als de allografische kunsten behoort en ook nog ergens tussen ambacht en kunst zweeft. Kortom overal net tussenin. Laat dat nou ook net de charme er van zijn, maar het maakt het onderzoek er niet eenvoudiger op.