Recensie —

Water en de Nederlanders

Jan de Graaf

De tentoonstelling Zoet & Zout. Water en de Nederlanders in de Kunsthal biedt een verzameling prachtig werk, mooi materiaal. De getoonde werken zijn verrassend divers: schilderijen, foto’s, video’s. Curator Maartje van den Heuvel heeft met animo verzameld: een omweg waard. Het gelijktijdig verschenen boek van Tracy Metz is meer dan een catalogus van de geëxposeerde beelden.

In het boek heeft Tracy Metz de inhoud van Zoet & Zout aangevuld met een kundige verzameling ruimtelijke projecten, verdeeld over verschillende hoofdstukken: Zoet, zilt en zout, Dijken en polders, Groot water, Natte stad; de epiloog heet Catastrofe. Alle projecten zijn volgens Metz het toonbeeld van een nieuw waterstaatkundig paradigma: geef water de ruimte, van hard naar zacht. En wat mij betreft: van zoet naar zout. Ze vertegenwoordigen de ‘nieuwe waterbouw die de tijdgeest in de rug heeft’, aldus Metz.

De tentoonstelling bedekt de gehele benedenzaal van de Kunsthal. De route bewandelt vijf evenwijdige paden. Eerst het pad van Strijd, dan dat van Verbond. Gevolgd door Gewin. Pas dan het pad van Plezier. Tenslotte Mythe. Vijf paden, vijf titels. De zaal laat zich moeilijk be-dwalen. Bezwaarlijk is dat niet, de werken kunnen naar believen worden verhangen, althans figuurlijk. Ze dagen uit zich te laten bezichtigen onder andere titels dan de straatnaam van het gangpad suggereert.

Het laatste gangpad gaat – zo zegt het – op zoek naar diepere betekenissen. Water in de klassiek oudheid of in de moderne kunst. Het zij zo. Hier hangt een schitterende reeks. Aan één wand, van links naar rechts: Wout Berger (Zeegezicht), Hendrik Willem Mesdag (Storm op de Noordzee met enkele zeilschepen), Jacob van Ruisdael (Berglandschap met waterval, Duits?), Jan Toorop (De zee te Katwijk, ‘grof geboetseerde verf met het tempermes’), Theo van Doesburg (Zeegezicht), Gerrit Benner (Landschap, ‘in grove penseelstreek’), Lambert van Zijl (Reliëf, voorstellend de zee, uit 1913). Vooral dit brons van Van Zijl springt in het oog. Niks geen plezier, geen handel, geen verbond; strijdloos, schiploos, a-mytisch. Het toont zee, zout zonder meer.

Het valt de samensteller moeilijk om de tentoongestelde werken los te weken uit een  kunsthistorisch kader. De teksten bij de werken blijven ‘schilderkunstig’. Dolf Henkes’ Baggerbak (1933) bijvoorbeeld, meet 60 x 75 centimeter en verbeeldt dit onmisbare werktuig in ‘donkere, bruine, grijstinten’, aldus het tekstbordje.

Nergens in de tentoonstelling vindt de bezoeker een ‘wetenschappelijk’ verhandeling die het onderwerp van de verbeelding betreft. Geen ichthyologische betoog bij Abraham Beyers’ Stilleven met vissen (midden 17e eeuw). Geen geologische uitleg over grondsoorten bij Johan Hendrik Mastebroeks De Machtige grijper, overwinnaar in den strijd tegen den zee. Een meteorologische stilte bij Brenner: welke soorten wolken verbeeldde deze schilder zo ‘heel kernachtig’? Er bestaat een natuurlijke historie van verwoestingen en rampen, bijvoorbeeld van de hand van W.G. Sebald. Er is een classificatie van inundaties, over bedachtzame en brute, zoete en zoute onderwaterzettingen. Welke typologie van dijken is er ooit ter schrift gesteld? Het eerste boekwerk (wereldwijd?) stamt uit de 16e eeuw, Andries Vierling Traktaet der dijckage. Vierling – de knappe kop van toen – werd geraadpleegd door Jan van Scorel, fijnschilder, Italië-reiziger, Venetië-bezoeker, nadien projectontwikkelaar, boef ook, en energiek inpolderaar van de Zijpe, in wat nu de Kop van Noord Holland heet. Van Scorels wervende gebiedsontwikkelkaart, waarop elke centimeter is gestoffeerd met scheppende grondwerkers, had ik hier graag gezien. Bij de foto Alleen op een eiland, met Jan Wolkers en Godfried Bomans mis ik het geluid. Hier hoort een ornithologisch betoog over krijsende meeuwen, Nobel-prijswinnaar Niko Tinbergen schreef er prachtig over.

Een cartografisch betoog ontbreekt in de Kunsthal. Sterker, wat node wordt gemist zijn kaarten. Hoe weinig hangen er? Slechts twee. Fraai zijn ze wel. De eerste is een kaart uit 1641 van het Haarlemmermeer, met als behoedzame titel Provisioneel concept ontwerp, waarop in cartouche een (exotische) leeuw het manhaftig opneemt tegen de wrede waterwolf. Cartograaf is Jacob Bartelszoon Veris, de tekst is van Vondel. De tweede is een anonieme kaart van de Royal Air Force uit 1944. Zichtbaar is Walcheren, met opgetekend de systematische vliegroutes van de luchtverkenningsvliegtuigen. De toen gemaakte luchtfoto’s tonen de destructieve gevolgen van deze ‘bevrijdende’ oorlogshandeling. De caissons die later, vooral  na de ramp van 1953 werden toegepast om dijkbreuken te dichten, zijn een vondst uit diezelfde oorlogstijd.

Het boek behandelt naast de ‘kunstwerken’ uit de tentoonstelling, een groot aantal ruimtelijke projecten die in de afgelopen jaren het licht heeft gezien. Deels uitgevoerd, deels idee.
Amfibische projecten met drijvende huizen, dorpen, steden. Rivieren die een breder bed krijgen aangemeten. Beken die zogenaamd hun historisch verloop weer terugkrijgen. Flood proof investeren, regenwater opvangen, adaptieve waterbouw. Waterstaatkundig slopen – vele bouwsels staan op domme plekken – lijkt me een zinnige aanvulling op dit inventieve programma. Voor wie het nieuws in de ruimtelijke ordeningswereld heeft gevolgd, is de opsomming aangenaam herkenbaar. De erkenning dat de bron van veel van deze innovatieve werken in het buitenland ligt, doet recht aan de ‘rest van de wereld’.

‘Water en de Nederlanders’. Telkens blijkt het om meer te gaan dan een nevenschikkend 'en'. De bedoeling is te zeggen dat water – Nederlands lievelingsonderwerp als het om rampen en de dood gaat, schreef Chris van der Heijden onlangs nog – de soort der Nederlanders bepaalt. Dat het hun identiteit maakt tot wat die is. Juist dat is de mythe.
Het aanhoudend gebruik van de term ‘we’, ergert. Terwijl het gaat om een handvol knappe koppen. Uitstekende schilders, fotografen, videomakers. En om een handvol intelligente ingenieurs. Nergens behandelt het de boeiende hypothese dat de omgang met landschap – met delta’s, of elders met bossen, bergen en (Duitse) watervallen bijvoorbeeld – een geestesgesteldheid heeft vastgelegd. Ook een mentaalgeografisch betoog ontbreekt. Dat is spijtig.

Persbericht, boek en feestredes tijdens de opening spreken lof. Terecht, ere aan de fondsverschaffers, de bruikleengevers, en al die anderen zonder wie een dergelijk project onmogelijk is. Alleen jammer dat in al dat prijzen ‘de’ sector (watersector en kunstsector) een ‘archetypisch’ beeld oppoetst om ‘nut en noodzaak’ van zoet en zout te onderstrepen. ‘Weer weten de Nederlanders de ogen van de gehele wereld op zich gericht’ en ‘De grote nationale zoektocht naar het specifieke van Nederland’; het zijn verzinsels. Maatschappelijk opgaven zoals de aanmaak van schoon drinkwater, gezond voedsel en veerkrachtige waterwerken waar ook ter wereld, zijn voldoende geloofwaardig. Water – zoet en zout – prikkelt tal van ‘creatieve geesten’ (knappe koppen over de hele wereld) om zich blijvend aan deze ‘goede werken’ te wagen.