Recensie —

Bakstenen en Ballonnen

Indira van 't Klooster

Architectuur en strips kennen een innige relatie. Wie kent niet de strip die Rem Koolhaas gebruikte voor de prijsvraag voor het Byzantium in Amsterdam, of de picto’s van Willem-Jan Neutelings? Maar er valt veel meer over te vertellen dan het opsommen van een paar bekende voorbeelden. Mélanie van der Hoorn schreef met Bakstenen en Ballonnen een zeer gedegen studie naar de rol van strips in de architectuur. Plaatjes kijken op niveau.

Het mooiste voorbeeld van wat het medium strip kan doen voor de architectuur wordt geleverd door het Russische architectenbureau Quiet Time. Hun prijsvraaginzending voor een gemeenschapscentrum zonder programma of PvE is een poëtische illustratie van wat architectuur voor mensen kan betekenen. In Invisible House is een huis onzichtbaar totdat het regent, er binnen wordt gerookt of het wordt schoongemaakt. Pas dan ontstaan de contouren van een huis met twee verdiepingen met een puntdak.

Met strips kun je onzichtbare dingen in beeld brengen. Het is een manier om na te denken over het ontwerp en de kracht en portee ervan. Het is dus niet verwonderlijk dat veel architecten vroeg of laat bij dit medium uitkomen. Strips bieden ook de mogelijkheid om met toegankelijke middelen een verhaal te vertellen. Yes is More, de bureaumonografie van Bjarke Ingels uit 2008, is daar een voorbeeld van. Vanuit stripoogpunt bekeken is het een tamelijk eendimensionaal beeldverhaal, waarin Ingels in elk frame op licht pedante wijze als alwetend verteller verschijnt. Maar voor de lezer is het een heerlijke manier om te beeldzappen en ad hoc wat tekstballonnen mee te pikken. Dat spreekt blijkbaar een grote doelgroep aan. Yes is More is inmiddels in acht talen verkrijgbaar.

Striptekeningen zijn ook een fijn middel om kritiek te uiten. Beroemd is de strip Byzantium van Thomas Koolhaas (zoon van) en Louis Price die een opdrachtgever met een varkensachtige wrattenkop en een monocle “KUTDETAILS” laten roepen. (Waarop Rem Koolhaas antwoordt: ‘You don’t want to win? You don’t dare to win!!!’)

Maar zo een paar voorbeelden aan elkaar schrijven is één ding. Om de relatie tussen strip en architectuur wetenschappelijk aan te tonen en op zoek te gaan naar de diepere verbanden tussen beide vakgebieden is een tweede. ‘Zowel architecten als striptekenaars zijn visionairs die werken met beelden, scenario’s en gebouwde materie’, laat auteur Mélanie van Hoorn een van haar bronnen zeggen. En daarmee zijn zowel doel en onderwerp van Bakstenen en Ballonnen samengevat. In een (vanzelfsprekend) veelzijdig geïllustreerd boekwerk worden en passant vele vragen beantwoord. Wat is de definitie van een strip? Wat is de relatie tussen strip en architectuur? Is er sprake van een stijl, met andere woorden hebben architecten die zich bedienen van strips een gemeenschappelijk referentiekader? (antwoord is nee) Zijn er architecten die rechtstreeks zijn beïnvloed door bestaande strips? (antwoord is misschien) Welke architect maakte de eerste strip? Kwalificeert de geïllustreerde brief van Le Corbusier aan een opdrachtgever als zodanig?

Bakstenen en Ballonnen laat zich op twee manieren lezen. De ontwerper met een ware passie voor het medium werpt zich op de tekst en zal daar een zeer gedegen en gedetailleerd betoog vinden, waarin een specifieke niche van de stripgeschiedenis wordt belicht. Dat zijn mensen die alles weten van Frank Hampson of François Schuiten. Die eerder boeken hebben gelezen van Alistair Crompton, Judi Loach of Jonathan Glancey, en die in hun boekenkast een speciaal plankje hebben ingeruimd voor Alexandre Doucin en voor de avonturen van Dan Dare. Voor hen is dit boek een adembenemende tocht langs spannende aannames en stellingen die vol vuur worden onderzocht en even vaak liefdevol terzijde worden geschoven. De eerste strip in de architectuur is Space Probe van Archigram in 1964! Nee toch niet. Le Corbusier tekende al strips! Nee toch niet. De nuance waarmee dit boek geschreven is, biedt ondanks de terugkerende ‘Nee toch niet’-ervaring een fascinerend verslag van het onderzoeksgebied.

De liefhebber van architectuur met een globale kennis van stripcultuur bladert door het boek en kan niet meer ophouden met kijken. Natuurlijk ken je de Byzantiumstrip, de Toneelschuur van Joost Swarte, en de monografie van Bjarke Ingels, maar dat deze allemaal passen in een traditie is verrassend. Dat de stripwereld zo groot is en zoveel mogelijkheden voor het vakgebied biedt, is een typisch geval van een WOOAAHHH!-ervaring. Dat beide lezersgroepen met dit boek worden bediend, betekent dat Van den Hoorn de vakwereld een uniek boek heeft gebracht, dat meteen de status van standaardwerk kan opeisen.