Recensie —

BMW Guggenheim Lab in Berlijn

Vincent Kompier

Met het BMW Guggenheim Lab is iets vreemds aan de hand. Het aardige idee – museum en autobouwer sponsoren een mobiel laboratorium dat op diverse plekken ter wereld de belangrijke vragen over de toekomst van de stad behandelt – blijkt eerder contraproductief dan effectief. De hamvraag die boven het hele fenomeen BMW Guggenheim Lab blijft hangen wordt niet beantwoord: voor wie is dit bedoeld?

De korte, maar hevige geschiedenis van het BMW Guggenheim Lab begint in augustus 2011 als in New York de eerste editie van het laboratorium start. De fysieke verschijning van het laboratorium is een paviljoen. In dat paviljoen zorgt een interdisciplinair team van jonge ontwerpers, architecten, kunstenaars, designers, docenten en duurzaamheidgoeroe’s er voor dat thema’s van het dagelijks stadsleven bediscussieerd worden. Doel is om nieuwe ideeën te ontwikkelen, het experiment uit te dagen en uiteraard oplossingen te bedenken voor de problemen van het stadsleven. Deels is het lab een denktank, deels een (tijdelijk) gemeenschap- of buurtcentrum en een plek om samen te komen. Het publiek wordt via diverse media, waaronder grote billboards in de stad, uitgenodigd deel te nemen aan de thema’s die het lab ter discussie stelt.

Een van de teamleden van het New Yorkse lab, die aldaar als eerste een presentatie en workshop hield is het Rotterdamse ZUS. Elma van Boxel en Kristian Koreman stelden er de begrippen ‘segrification’ en ‘glocalization’ aan de kaak, en legden een relatie met de stedelijke politiek. In de komende zes jaar zullen drie verschillende paviljoens met drie verschillende thema’s het lab vertegenwoordigen. Ieder lab wordt door een andere architect vormgegeven; ieder paviljoen zal drie steden bereizen. Het thema voor de eerste twee jaar is Confronting Comfort ofwel het onderzoeken van individueel en collectief comfort en de sterke noodzaak tot milieu- en sociaal bewustzijn.

Hoe ironisch het thema Confronting Comfort onbedoeld is komt naar voren als het BMW Guggenheim Lab na New York Berlijn aandoet. Dan ontstaat een even bizar als absurde discussie. Want de zoektocht naar een locatie voor het Lab verloopt verre van comfortabel en confronteert de organisatie met de weerbarstige kanten van de Berlijnse mores. De organisatie koos een grote, braakliggende kavel aan de Cuvrystrasse in Kreuzberg als locatie voor het Lab. Dat was olie op het vuur van diegene die de gentrificationduivel te vuur en te zwaard willen bestrijden. De afkeer hiervoor is bij veel Kreuzbergers in hun DNA opgeslagen. Op televisie, in kranten en op sociale media werd er meteen lustig op los geprotesteerd. Zelfs het vermeende naziverleden van voormalig BMW-eigenaren werd uit de kast getrokken. Met als gevolg dat de organisatie zich hardop afvroeg of Berlijn, en specifiek Kreuzberg, wel veilig genoeg was voor het lab. Dat was tegen het zere been van het stadsbestuur, meteen werden de (linkse) actievoerders tot de orde geroepen: protesteren oké, maar geweld nee! Actievoerders hadden namelijk gedreigd het Lab in Kreuzberg met verfbommen te bewerken. Nu is dat een bijna dagelijks verschijnsel in Berlijn, maar als BMW en Guggenheim dreigen te worden besmeurd, blijkt het Berlijnse stadsbestuur erg gevoelig voor het imago van de stad. Uiteindelijk koos de organisatie voor de locatie Pfefferberg in stadsdeel Prenzlauer Berg. Daar schieten de bewoners niet automatisch in de gentrificationkramp, want die wijk is al bijna volledig gegentrificeerd.

Het paviljoen staat nu op de plek van een voormalig communistisch redactielokaal en doet zijn ding. Zes weken lang worden er in het paviljoen meer dan 100 bijeenkomsten aangeboden: lezingen, discussies, workshops – alles gratis toegankelijk. Een ‘redelijk onschuldige knutselschuur’ noemde de plaatselijke krant het uiteindelijke resultaat van paviljoen en programma. Is dat terecht? Ja en nee.

Met het ontwerp van Atelier Bow-Wow uit Tokio is op het eerste gezicht niets mis. Het paviljoen bestaat uit een op zes poten steunende staalconstructie, die met gordijnen kan worden afgeschermd van de omgeving. De bovenkant van de dertig meter lange constructie is afgewerkt met halfdoorzichtige stalen matten die een blik gunnen op de vele spotlights die er boven hangen. Bij nader inzien wordt die architectuur echter een probleem. Men heeft de denkfout gemaakt dat een laboratorium mooi vormgegeven moet zijn. Maar een doorsnee laboratorium ligt verstopt op een campus of industrieterrein en kenmerkt zich door steriliteit. De vormgeving van laboratoria is neutraal of afwezig, want iedere vorm van afleiding zou je uit je concentratie kunnen halen. Dat is hier niet zo. Het gebouw is te nadrukkelijk vormgegeven om voor een lab door te kunnen gaan. Het is eerder een podium waar wie maar wil in de spotlights kan schitteren, tot het paviljoen weer naar een ander continent vertrekt.

Onbewust scherpt het BMW Guggenheim Lab de discussie over functie en waarde van ontwerp aan. Wat is het idee achter dit paviljoen? Is het de bedoeling dat de functie en verschijningsvorm van het ontwerp drempelverlagend is, zodat iedereen met de discussies mee kan doen? Of werpt het door haar sterke vorm juist drempels op? Een dergelijke discussie zou interessant zijn om te voeren, en wel ter plekke. Maar de thema’s die door het team in Berlijn worden aangedragen hebben een dermate tuttigheidsgehalte, dat bijna niemand er warm voor loopt. Thema’s als emoties in de stad, de rol van de fiets bij hedendaagse stadsontwikkeling, vuilnis en recycling, ouderen in de stad et cetera. De vragen, die overal op billboards in de stad verschijnen, geven ook al weinig hoop: ‘waarom voelen we ons in een stad met 3,5 miljoen mensen alleen?’. Waarom interesseren BMW en Guggenheim zich daar ineens voor, vraag je je af. Een antwoord krijg je niet. De invloed van sponsor BMW is duidelijk; discussies zijn leuk, maar niet als ze echt ergens over gaan.

Ondertussen worden de werkelijke discussies in Berlijn al jaren op andere plekken gevoerd. Direct tegenover de Pfefferberg waar het BMW Guggenheim Lab is neergestreken, is de nieuwe vestiging van Platoon opgebouwd. Dat is een cultureel bedrijf dat al sinds 2000 in een stelletje zeecontainers kantoor houdt en Berlijn bediscussieerd vanuit een subcultureel perspectief. Daar gaat het bijvoorbeeld over de vraag in hoeverre street art eigenlijk een motor voor gentrification is. Confronterender en meer Berlijn-gerelateerd dan de discussies over fietsers in de stad die in het Lab gevoerd worden.

Het meest treffende commentaar op de geschiedenis van het BMW Guggenheim Lab werd gegeven in de naastgelegen Galerie Aedes. Op de tentoonstelling Cities in progress: Please do not disturb kon het publiek op post-its commentaar te leveren op de vraag: ‘ what is the biggest trend for the future city?’ De een noteerde, ‘no trends anymore!’, een ander tekende een Rubik kubus met, ‘solve THAT problem, motherfucker!’, als treffend onderschrift. Het BMW Guggenheim Lab heeft ironisch genoeg haar doel bereikt; discussie over de toekomst van de stad. Niet in een discussie of hippe pecha kucha op haar eigen podium, maar op straat en elders in de stad. Niet comfortabel, wel confronterend.