Feature —

De receptuur van het landschap

Ton Verstegen

Het begrip smaak is bezig het begrip kwaliteit te verdringen, ook in de waardering van het landschap. Kwaliteit gaat vooral over visuele kwaliteit, smaak gaat over zien, proeven, ruiken en verorberen. Een logische stap verder is om bij de inrichting van het landschap de ambtelijke nota te vervangen door een kookboek met smakelijke recepten.

Landschapsarchitect Harro de Jong (BuroHarro, Arnhem) is daar geknipt voor. Hij houdt van smakelijke landschappen en smakelijke gerechten. En kan er niet minder smakelijk over vertellen. De gemeente Apeldoorn moest even slikken toen hij – gevraagd om een visie – voorstelde een kookboek te maken voor het Apeldoornse landschap. Een boek met recepten maar ook met heel veel plaatjes van de gerechten. ‘Want anders heb je geen idee wat je gaat koken en waar je naartoe werkt’, aldus De Jong. Het visuele mag dan van de troon zijn gestoten, het oog wil nog steeds wat.

Het gaat De Jong niet om haute cuisine. Het landschap bestaat voor het grootste deel uit alledaagse dingen: paadjes, schuurtjes, enzovoorts. Daar komt vaak geen ontwerper aan te pas. In het Groot Apeldoorns landschapskookboek dat hij samenstelde met medewerking van het Gelders Genootschap en in opdracht van de gemeente Apeldoorn, leidt hij de lezer rond door het gevarieerde en uitgestrekte Apeldoornse landschap: de Veluwe, de enken, beekdalen en kampontginningen, de broeklanden en de landgoederen met hun lanen. Maar ook de dorpsranden met hun recreatieparken en de snelwegen A50 en A1, die de Veluwe fraai doorsnijden. Hij heeft evenveel oog voor de hoogte van een dakgoot als de sinds de ijstijd ontstane reliëfs en grondwaterstromen. Maar De Jong is meer dan een gids. Hij wil met de lezer de recepten ontrafelen en wetmatigheden opsporen waarom iets lekker smaakt. Dan weet je meteen ook waarom iets kon verworden tot een ‘stamppotlandschap’ zoals het Beekbergse beekdal. Veel recepten zijn afkomstig uit grootmoeders keuken, maar dat hoeft volgens hem niet te leiden tot namaak. Met kennis van de recepten kunnen grote structuren worden hersteld en tegelijk worden aangevuld met nieuwe ingrediënten en bereidingswijzen.

Een kookboek gaat uit van twee veronderstellingen. Iedereen houdt van lekker eten en iedereen kan koken. Iedereen woont in het landschap en maakt het landschap. Dat leidt tot diversiteit maar ook  versnippering. Dit vraagt om te beginnen van de overheid een nieuw soort bemoeienis. Hoe zorg je ervoor dat de vele partijen en belangen elkaar niet hinderen maar in plaats daarvan onverwachte kwaliteiten van elkaar openbaren, net als in een gerecht? En hoe voorkom je dat, eenmaal overgestapt van de nota op het receptenboek, je bij de uitwerking weer verzandt in nieuwe nota’s? Dat vereist creativiteit en improvisatie, een vorm van hogere kookkunst.

Na een voorgerecht van kwarteleieren en eetbare bloemen met een mosterdgembersaus, op een bedje van veldsla en rucola, gaf Petra Bennink, gemeentelijk projectleider Groot Apeldoorns Landschapskookboek, enig uitsluitsel. In het kort berust de uitwerking op twee ogenschijnlijk tegenstrijdige tactieken: klein beginnen en niet afwachten, maar de boer op en met wisselende partijen van alles oppakken. Als voorbeeld noemde zij een biomassaproject, waarbij de instandhouding van houtwallen, singels en laanbomen die geen functie meer hebben, voor betrokken partijen economisch interessant moet worden. Een ander voorbeeld: herstel van bomenlanen waarbij de gemeente voor bomen zorgt en de grondeigenaren voor boomruimte. Om de participatie in het doe-het-zelf-landschap te verbreden tot buiten de geijkte organisaties wendt Petra Bennink zich tot de dorpsraden die nog springlevend zijn in de vele dorpen van Groot Apeldoorn. Als ‘ambtenaar nieuwe stijl’ ontpopte zij zich tot landschappelijk opbouwwerker, niet belast met het beheer van aanvragen, vergunningen en subsidies, maar met de circulatie van geld, goederen en diensten tussen telkens wisselende partijen.

Harro de Jong is zelf het voorbeeld van een doe-het-zelf landschapsarchitect. ’Kijk naar buiten. Er is nog zoveel te doen. Verzin je eigen opdracht’, luidt zijn advies aan collega’s. Samen met geestverwant Hans Jungerius, beeldend kunstenaar en cultureel entrepreneur, nam hij het initiatief voor het project  Buitenplaats Kamp Koningsweg aan de noordrand van Arnhem. Jungerius deelt met De Jong ‘de passie voor het landschap’ zoals hij het formuleerde. Zeker als het om een landschap gaat dat tot het merkwaardigste en tegelijk het meest obscure van het land behoort: de brede strook bos, hei en veld tussen de noordrand van Arnhem en de Hoge Veluwe. De voormalige Fliegerhorst Deelen ligt er in verscholen. Deze militaire basis werd door de Duitse luchtmacht aangelegd als een pseudo brinkdorp, met hangars als boerderijen, koeien van papier-maché en landingsbanen als landwegen.

Momenteel werkt de Jong aan een inrichtingsplan voor de Buitenplaats op een deel van het terrein, samen met ontwikkelaar Kondor Wessels, woningbouwvereniging Portaal, SLAK (atelierbeheer) en MVRDV architecten. ‘Het is onze missie,’ zo vertelde Hans Jungerius in zijn toelichting, ‘om het perspectief op de omgeving te verbreden en veranderen’. Daarmee is men feitelijk al begonnen, in de vorm van excursies, culturele programma’s en summer schools waarmee de publieke belangstelling voor dit lange tijd ‘verboden landschap’ moet worden gewekt. Maar de ambities reiken verder. De Buitenplaats kan een schakel worden in een culturele corridor die Arnhem verbindt met de Hoge Veluwe. Een nieuw Sonsbeek buiten de perken zou het stadspark Sonsbeek kunnen verbinden met museum Kröller-Müller op de Hoge Veluwe.

Het is iets anders dan de receptuur van een kookboek. Maar onverwacht kwam ook een verwantschap aan het licht. Dat was toen Jungerius vertelde over zijn tournee langs de vele culturele instellingen in de nabijheid van het plangebied, zoals het Openluchtmuseum, Kröller-Müller Museum en Burgers Zoo. ‘Het Openluchtmuseum zag ineens dat met Fliegerhorst verborgen erfgoed wordt blootgelegd,´ vertelt Jungerius. ´En dat het museum in feite hetzelfde doet: het opsporen en redden van erfgoed in het land om het hier vlak naast de deur weer op te bouwen.’ Dankzij dergelijke gesprekken gaan de partijen zichzelf blijkbaar zien als mogelijke ingrediënten en bereiders van nieuwe gerechten.

Het doe-het-zelf-landschap is geen consensus- maar een onderhandelings- en transactielandschap op zakelijke basis. Maar wat de partijen lijkt te verbinden is een onverholen liefde voor het (cultuur)landschap.