Recensie —

Een toekomst voor de metropool: sunny side up?

Claire Oude Aarninkhof en Minke Mulder

De combinatie tussen voedselproductie en de hedendaagse stad lijkt tegenwoordig bijna niet meer weg te denken uit de wereld van de ruimtelijke ordening, kunst en architectuur. Ongeveer vijf jaar geleden begonnen als een trend, is het een blijver gebleken. Drie jaar geleden startte het Haagse centrum voor beeldende kunst en architectuur Stroom met de meerjarige manifestatie ‘Foodprint: voedsel voor de stad’, ter afsluiting daarvan is er nu de publicatie: Food for the City: a Future for the Metropolis.

We schrijven 2050, 75% van de wereldbevolking leeft in steden. Maar in wat voor steden? De cover van de publicatie Food for the City: a future for the Metropolis toont  eieren. Deze  eieren met hele dooier, de “sunny side up” zijn een klassieke representatie van de stad en haar ommeland (Price’s Three Eggs Diagram, 1968) Tegenwoordig hebben we echter meestal te maken met scrabbled eggs; de grenzen tussen stad en land zijn vervaagd, productieland wordt consumptieland, “megacity wordt service city” (Jáuregui, p. 130).
Geredeneerd vanuit de huidig consumptie- en productiepatronen is het ommeland nu al niet in staat die stad te voeden. Food for the City stelt dan ook de vraag: “How can we keep feeding our cities?” Oftewel, hoe zonnig is de toekomst voor de metropool? Vanuit deze hoofdvraag probeert de initiatiefnemer van deze publicatie, het Haagse Stroom, het belang van een directe relatie tussen voedselproductie en de stad aan te tonen door verschillende auteurs aan het woord te laten en beelden te laten spreken; kunst als een middel om reflectie en actie te inspireren.

Food for the City opent met een uitgebreide tijdbalk met wetenswaardigheden over de relatie tussen voedsel en maatschappij. Het begint met de eerste wet over voedsel (2050 voor Christus, hoe toevallig), verschillende ontwikkelingen binnen de landbouw, tot aan toekomstvoorspellingen voor 2050. De tijdbalk straalt een bepaalde feitelijkheid uit, maar al lezende rijst de vraag of de tijdbalk compleet is. Gezien de complexiteit van het onderwerp binnen zowel het krachtenveld van economie, maatschappij en biologie, lijkt het genoemde aantal elementen wat mager. Zeker als het gaat over 2050: hier ligt een kans voor de auteurs om revolutionair te denken.

Het boek bevat dertien verschillende visies over het onderwerp voedselproductie, afkomstig van auteurs die verspreidt over de wereld wonen en werken. De achterflap belooft ons visioenen over 2050, maar de essays beslaan veelal een visie vanuit de huidige situatie. De invalshoeken zijn zeer divers en worden afgezien van de geografische verschillen ook bepaald door de professie van de auteur. Zo is er een artikel van een chef-kok, een technoloog, een aanhanger van permacultuur, een ruraal socioloog, een curator, een architect… Vanuit deze typecasting zetten zij in een kort betoog hun standpunt en visie uiteen. Zo stelt de filosoof dat ons voedsel tussen natuur en cultuur ligt. Hij schrijft een intrigerend verhaal over hoe voedselproductie nog steeds een ‘black box’ is voor de consument. Deze sluit compromissen zonder zelf te kunnen kiezen. Het openen van die black box maakt het voedselproces transparant en biedt het individu keuzemogelijkheden. De boer aan het woord is zich bewust van de houdbaarheid van de hedendaagse grootschalige landbouw en zoekt binnen de huidige kaders en traditie naar het maken van een duurzaam, grootschalig, gemengd bedrijf met zowel veeteelt, landbouw en energieproductie.
Een totaal andere invalshoek komt van de vrouwenrechtenadvocaat. In Kenia zijn vrouwen voor 70% verantwoordelijk voor de voedselproductie. Zolang zij echter achtergesteld worden op de mannen en bijvoorbeeld geen land mogen bezitten, is de continuïteit van de voedselproductie in gevaar. De advocaat zoekt naar oplossingen door te pleiten voor een verandering van overheidsbeleid. Het belang van beleid komt ook bij andere auteurs naar voren. De dialoog met bestuurders is essentieel om feitelijke stappen te kunnen zetten naar voedsel als onderdeel van het leven in de stad.

De teksten in het boek worden afgewisseld met infographics en fotoseries. De infographics zijn clean en grafisch sterk vormgegeven. Ze schetsen een beeld van voedselproductie en de scheve verhoudingen in de wereld, zoals het gebruik van grondstoffen en voorspellingen over het aantal wereldbollen dat we in de toekomst nodig hebben wil iedereen te eten hebben. De infographics hebben geen relatie met de tekst en maken het boek zeer geschikt als bladerboek: het valt open, je bekijkt het even en laat je verrassen. Als lezer vraagt deze informatie echter om verdieping.
De fotoseries zijn het meest pakkende onderdeel van het boek. Ze zijn gethematiseerd en verwijzen naar het hele voedselproces (van zaaien tot oogsten, van eten tot wegwerpen) en geven een schokkend beeld van de staat van voedselproductie in de wereld. De bijschriften staan niet direct bij de beelden, maar zijn onmisbaar. Ze geven zowel verrassende informatie, als een “oh ja, op die manier” gevoel.

Voor wie is het boek bedoeld? Dat wordt niet direct prijsgegeven. De inhoud van de visies doet denken dat de publicatie bestemd is voor mensen die zich nog een mening willen vormen over voedselproductie. Hen wordt een scala aan verschillende invalshoeken geboden. De vormgeving van het boek appelleert juist aan kunstenaars en architecten vanwege het ontbreken van uitgebreide toelichtingen bij de beelden en de wijze waarop beeld en tekst gemixt zijn. Voor eenieder die nog weinig weet over het onderwerp is Food for the City aan te bevelen. Helaas biedt de publicatie weinig meerwaarde voor diegenen die al meer weten over voedsel en de stad en hoopten op praktische en toekomstgerichte voorbeelden om in actie te komen.

Dit boek is een manifest voor het herdefiniëren van de relatie tussen voedsel en de maatschappij in brede zin. Het heet dan wel ‘Food for the City’ maar had beter ‘Food for Society‘ kunnen heten. Alle visies zijn geschreven vanuit het standpunt van de auteurs, niets wordt geduid of van een commentaar voorzien. Sommige artikelen staan lijnrecht tegenover elkaar en het is aan de lezer om zelf zijn standpunt bepalen en verrast worden door argumenten van de schijnbare ‘tegenpartij’.
Op de vraag of de toekomst van de stad zonnig is, zijn dertien verschillende antwoorden gegeven. Wat echt gemist wordt in de publicatie is de vertaling tot uitvoering. Immers, met de ervaringen die Stroom in de afgelopen drie jaar heeft opgedaan met  de manifestatie ‘Foodprint, voedsel voor de stad’ verwacht je dat zij die reflectie kunnen geven. Dit gecreëerde momentum wordt nu in ieder geval door de kunstenaars in het laatste essay niet benut. Hier ligt een kans voor Stroom om de handschoen op te pakken in een volgend boek.