Recensie —

Op reis met Berlage

Bert de Muynck

Eind vorig jaar publiceerde 010 Uitgevers een (dag)boek over de reis die H.P. Berlage in 1923 naar het toenmalige Nederlands-Indië maakte. Een wisselvallig verslag van een tocht naar de tropen.

In de inleiding van het boek wordt niet moeilijk gedaan over de achtergrond waartegen Berlage’s voyage naar Nederlands-Indië zich afspeelde: er was een recessie in Nederland en ‘hij had weinig om handen’, zo schrijft Herman van Bergeijk, ‘bovendien waren er twee gebouwen naar zijn ontwerp in de koloniën verrezen, die hij nog nooit in het echt had aanschouwd.’ De reis naar Nederlands-Indië was tevens Berlage’s langste, niet in tijd maar wel in afstand. Het was ook een reis die met een zekere geheimzinnigheid gepaard ging; de 67-jarige hield er blijkbaar een dubbele agenda op na. Berlage gaf niet alleen lezingen, maar was ook bezig met het maken van een rapport over de restauratiemogelijkheden voor de inheemse historische bouwwerken en tempelcomplexen, en daarnaast – een opdracht die hij tijdens de reis kreeg – met het maken van een uitbreidingsplan voor Batavia. Hoewel hij de reis al in 1923 maakte, zou het dagboek Mijn Indische Reis pas in 1931 gepubliceerd worden. Het rapport over de restauratie is opgenomen in de publicatie, de plannen voor Batavia (die uiteindelijk onuitgevoerd bleven) jammer genoeg niet.

Het boek heeft een vreemde opzet, de ene helft bestaat uit een ‘analyse’ van Herman van Bergeijk en de andere helft, getiteld Bijlage, bestaat uit de brieven, voordrachten en rapporten die Berlage tijdens en na zijn reis schreef. Van Van Bergeijk is geen biografie opgenomen, maar we komen wel te weten dat zijn ‘interesse voor Berlage’s reis niet zozeer voortkomt uit een belangstelling voor Nederlands-Indië als wel uit de geboeidheid door het reizen van de architect en de manieren waarop deze zijn reizen documenteert in tekeningen en geschrift.’ Wat een frappant verschil met de wervende tekst op de achterflap: ‘Berlage besefte wel degelijk dat Oost en West steeds meer naar elkaar toe groeiden, maar hoopte tegelijk dat daarmee niet het waardevolle van de twee culturen overboord zou worden gegooid: een vroege vorm van kritisch regionalisme’. Een interessant idee, een jaar voordat Lewis Mumford in 1924 Sticks and Stones zou publiceren, volgens Alexander Tzonis en Liane Lefaivre een van de grondteksten van het kritisch regionalisme – dat trouwens nooit is hardgemaakt.

In 1923 staan we aan de vooravond van een heel interessante periode voor de ontwikkeling van moderne architectuur in Nederlands-Indië. Architecten als Thomas Karsten, Henri Maclaine-Pont, A.F. Aalbers en Wolff Schoemaker zullen in het komende anderhalf decennium een cruciale rol spelen en een debat over regionalisme in de tropen beginnen. H.P. Berlage vertrekt, per boot, op 28 februari 1923 uit Genua om op 23 maart in Batavia aan te komen en daar op 17 juni weer te vertrekken. 24 dagen reizen! Er schijnen vandaag architecten te bestaan die in dat tijdbestek vijfmaal de wereld omcirkelen. De trage tocht richting de tropen vat Berlage trouwens mooi samen. Hij raakt begeesterd door het Suez-kanaal. Eenmaal aan wal, wordt Berlage bevangen door de natuur en ‘haar stoutste verbeelding in plant’ en analyseert een eerste spanning: ‘Door de wonderlijke pracht van den plantengroei zijn ook de Indische steden, alle tuinsteden geworden. Alleen het oude Batavia maakt daarop een uitzondering, omdat de Hollanders op de plaats van het oude Jacarta, zijn begonnen de hoofdstad te stichten in vaderlandschen geest.’

Berlage’s verslag van zijn reis, in vijf gedegen brieven, richt zich op Java, Bali en Sumatra en is een heel interessante mix van bouwkundige opmerkingen en culturele belevingen. Zo bemerkt hij dat de bank- en kantoorgebouwen ‘ook wel ergens in Europa konden staan’. ‘Want daaraan kan zelfs de toepassing van een kalakop of Makara-ornament niet veel veranderen.’ Deze aantekeningen, die gelezen moeten worden als indrukken, zoeken het spanningsveld – toen allicht niet evident – op tussen Europese en Javaanse bouwtechnieken en ornamentiek, moderne en historische stijlen, vernieuwing en verval, kolonialisme en cultuur. Daarbij heeft Berlage oog voor wat de lokale bouwkunst bijzonder maakt. Het woord ‘schoonheid’ komt heel vaak voor, maar moet in deze context niet als mooi of hygiënisch gezien worden, maar eerder als een haast spirituele appreciatie voor het klimaat en de lokale cultuur. Vreemd genoeg valt er in zijn brieven niets te lezen over zijn bezoek aan de door hem ontworpen kantoorgebouwen in Batavia en Surabaya.

Terug in Nederland, geeft Berlage april 1924 een lezing over zijn reis en verklaart het verschil tussen het westen en oosten als een verschil tussen ‘bezonnen rationalisme, doelbewustheid en condensatie van vormen’ en ‘veelzijdigheid en veelheid van vorm’. Ondanks dit verschil slaagt het oosten er in om de ‘machtige totaalverschijning te beheersen’. Het boek eindigt nog met een redelijk technisch rapport over de tempelcomplexen die hij bezocht en daarnaast wat brieven. Voor Berlage ligt een vraagstuk op tafel: die van de ‘Indis Indo Europeesche Bouwstijl’, de positie van de westerse architect in het oosten en de bezwaren die kleven aan het toe-eigenen van de Indische cultuur in een nieuwe bouwstijl. Een discussie die reeds gaande was en zich later, in beperkte kring, in Nederlands-Indië verder zou ontwikkelen, met name tussen de Henri Maclaine-Pont (traditie) en Wolff Schoemaker (modernisme).

Het boek bevat mooie plaatjes. Ik kan me enkel voorstellen dat voor hen die een Berlage-bibliotheek in huis hebben dit boek allicht een hebbeding is. Of voor iemand die wat citaten van Berlage in een verhaal over Indonesië of regionalisme wil inpassen. Van Bergeijk plaats wel degelijk enkele zaken in context, maar doet dat met onnodig drama. Emblematisch is als hij schrijft: ‘hij (Berlage) blijft Europeaan ondanks het feit dat hij dagenlang tussen de heiligdommen doorbrengt en bijna elke steen van de Prambanan en de Boroboedoer bestudeert.’ Logisch, Berlage was een kosmopoliet, geen kameleon of door de verzengende hitte van de evenaar bevangen godsdienstwaanzinnige.

Voor de rest besef je de tijdelijkheid van brieven van negentig jaar geleden. Je zou willen dat Berlage een blog had bijgehouden, of een tropentumblr.