Opinie —

Waar blijft de Rijksadviseur voor het Erfgoed?

Dirk Baalman

Met een nationaal oploopje van ruimtelijk werkers in Nederland werd op 3 juli de wisseling van de wacht gevierd van het College van Rijksadviseurs (CRA). Op de bijeenkomst bedankte de minister van Infrastructuur en Milieu, Melanie Schultz- van Haegen, de vertrekkende rijksadviseurs en introduceerde zij de nieuwe. Elke vier jaar wordt het College ververst, net als de Rijksbouwmeester die het CRA voorzit.

Muziekgebouw van P.J. Elling, 1962-1966, Mediapark, Hilversum
Muziekgebouw van P.J. Elling, 1962-1966, Mediapark, Hilversum

Rijksadviseur Yttje Feddes presenteerde een drietal van haar adviezen, waarmee ze haar thema, ‘het publieke belang van landschap’, krachtig onderbouwde. De adviezen over windmolens en over landbouwontwikkelingsgebieden en megastallen behoren tot het beste dat de rijksadviseurs door de jaren heen hebben gemaakt. Ze zijn gebaseerd op scherpe analyses, grondig veldwerk en een duidelijk gevoel van urgentie. Ze laten bovendien zien wat ‘het ontwerp’ aan de ideevorming over ruimtelijke kwesties kan bijdragen. Deze adviezen gaan ons heugen.

Rijksadviseur Ton Venhoeven overhandigde zijn advies ook maar direct aan de minister. Het handelt over multimodale knooppunten in onze netwerken van infrastructuur. Dit is een ander type advies dan die over het landschap: meer beleidsmatig en planologisch, en daarmee ook direct minder concreet. Ook dat type advies hoort bij zo’n college: meer agenderend en richting gevend. Het onderwerp zou aan impact winnen als voor ‘knooppunt’ een andere begrip werd gekozen. ‘Contactpunt’ is misschien ook niet mooi, maar wel optimistischer en het roept wellicht een minder zorgelijke blik op bij een presentatie over het onderwerp. De Nederlandse weginfra is de enige ter wereld die een kruispunt problematiseert met de term ‘knooppunt’: de file zit er als het ware ingebakken. Het nuchtere ‘Autobahnkreuz’ of de neutrale ‘Carrefour’ klinken al beter, maar bij de ‘turnpike’ rijdt het zeker door. De keuze van begrippen kan een deel van de oplossing van het probleem zijn.

De minister noemde in haar dankwoord geen advies van de Rijksadviseur voor het Cultureel Erfgoed. In een interview met dagvoorzitter Fred Schoorl wees Rijksadviseur Wim Eggenkamp op zijn advies over ‘prachtwijken’ en het advies over de restauratieopleidingen dat binnenkort verschijnt. De indruk ontstond dat het CRA er niet in slaagt om in deze sector adviezen te laten verschijnen van hetzelfde gewicht als die in de andere sectoren. Vooral storend was dat in het interview met Eggenkamp een beeld van de erfgoedsector werd bevestigd dat je als rijksadviseur eerder zou moeten willen bestrijden. Hij presenteerde het gereconstrueerde Muziekpaviljoen van Piet Elling op het Mediapark in Hilversum als succesvol voorbeeld van monumentenzorg. Dat lijkt me erg ongelukkig: welke monumentenzorger is trots op een sloop/herbouw-operatie?

Verder kwam er geen heldere visie op de herbestemming van erfgoed als ‘lastige opgave’. Wees duidelijk: tot voor kort waren er makkelijke en moeilijke opgaven in de bouw- en projectontwikkeling. De makkelijke leverden de rotzooi op die we nu als ellendeplekken of leegstand tegenkomen: de KPMG- of CapGemini gebouwen en de leeggelopen ‘zichtlocaties’.  Bij zoveel gemak was erfgoed hergebruiken al gauw moeilijk. Maar nu zijn er alleen nog maar lastige ontwikkelingsopgaven en dan is erfgoed helemaal niet moeilijk meer. Daar kun je voor stáán als rijksadviseur.

Dat zal voortaan overigens niet meer lukken. Het ministerie van OCenW levert geen Rijksadviseur voor het Cultureel Erfgoed meer. Het college gaat verder met de rijksbouwmeester en twee adviseurs: één voor ‘infrastructuur en stad’ (Rients Dijkstra) en één voor ‘landschap en water’ (Eric Luiten). Minister Schultz benadrukte de onafhankelijke en agenderende rol van het College van Rijksadviseurs; ze ziet er het liefst een hoog luis-in-pels-gehalte. Maar het ministerie van OCenW zit op onafhankelijk advies helemaal niet te wachten. Het beveelt zijn Rijksdienst Cultureel Erfgoed aan als comparant voor het CRA. Van onafhankelijkheid is daar natuurlijk geen sprake en op de eerste agenderende actie van die zijde wordt nog gewacht. Dat ‘Cultuur’ zowel de betekenis van de inbreng van cultuurhistorische waarden in de ruimtelijke planning onderschat als de betekenis van het ontwerp, is ronduit beschamend. Het ministerie distantieert zich zo van het CRA dat ooit door één van haar meest illustere topambtenaren werd bedacht (Victor de Stuers).

Landschap, water, stad en infrastructuur: vier majeure transformatieopgaven die nauwelijks denkbaar zijn zonder een onafhankelijke inbreng van cultuurhistorische waarden. Integratie van cultuurhistorie in de ruimtelijke planning is door het ministerie van Cultuur in het programma ‘modernisering monumentenzorg’ als speerpunt benoemd. Daar gaan we de komende vier jaar niet veel over vernemen.