Feature —

Wordt zelf initiatief het nieuwe plannen?

Aldo Trim

Waar tot voor kort integrale gebiedsontwikkeling hét credo in ruimtelijke ordening was, lijkt de huidige conjunctuur de aanjager te worden van een “nieuwe” vorm van stedenbouw: de organische. Op 15 juni jl. werd in een door Architectenweb georganiseerd rondetafelgesprek getracht opheldering te krijgen over wat organische stedenbouw precies inhoudt.

Het gesprek tussen zes stedenbouwkundigen was een vervolg op een eerder verschenen artikel van Robert-Jan de Kort in AWM. Hierin worden een aantal lopende gebiedsontwikkelingen beschreven die als gemene deler hebben dat ze niet uitgaan van een totaalplan maar eerder van een wensbeeld. De weg naar dit wensbeeld laat grillen en onzekerheden ‘probleemloos’ toe. Heel kort samengevat gaat het er bij organische stedenbouw om dat plannen als raamwerk dienen voor stapsgewijze collectieve en individuele ontwikkeling en dat door zo min mogelijk randvoorwaarden op te leggen een maximale diversiteit mogelijk is. Wat het raamwerk behelst en waar nog ruimte voor ‘ontwerp’ zit, daar lopen de meningen uiteen. Voorafgaand aan het gesprek presenteerden de zes ieder kort een project om hun eigen interpretatie van organische stedenbouw te illustreren.

Tess Broekmans van Urhahn Urban Design vertelde over hun plan voor Oostenburg aan de oostkant van de Amsterdamse binnenstad, waar in het voormalige havengebied een op New York geïnspireerde gridverdeling gemaakt in blokken met vrije kavels. De woningcorporatie begeleidt initiatiefnemers bij de ontwikkeling van de kavels. Volgens Broekmans hoeft er niet per definitie begonnen worden met bouwen maar wel met het stimuleren van initiatief; het gebied kan zo langzaamaan geclaimd worden.
In Oostenburg geven bestaande havengebouwen een directe identiteit aan het gebied. Volgens Marco Broekman van Karres en Brands is dit belangrijk, kijk naar wat al op een plek aanwezig is, dit kan groei stimuleren. Hij vergeleek organische stedenbouw met tuinieren: ‘Je maakt een schets en kijkt vervolgens wat er groeit’. Voor een oude gemeentewerf in Hilversum heeft Karres en Brands de initiatiefnemer voor herontwikkeling, de online spel producent Spil Games, als uitgangspunt genomen. De wensen van deze partij met betrekking tot het gebied zijn leidend geweest voor het opstellen van een programma. Dit programma is echter zo flexibel dat het gebruik kan veranderen in de tijd.

Kenmerkend voor de economische achtergrond waartegen de discussie zich afspeelt is een opmerking van Reimar von Meding van KAW. Hij ziet dat organische stedenbouw automatisch plaatsvindt in krimpgebieden. Het is blijkbaar een methodiek voor gebieden waar geen grote investering meer worden gedaan maar waar wel herstructurering nodig is. Even zo goed zijn er gebieden waar nog wel groei is maar die niet het predicaat ‘urgent’ hebben. Von Meding omschrijft het werk van de stedenbouwkundige voor deze gebieden als dat van een dompteur; ‘Je werkt in een spanningsveld tussen temmen en aanvoeren. Initiatieven vliegen je soms om de oren waardoor je moet beteugelen, een ander moment moet je initiatief uitlokken’.
Gijs van den Boomen van Kuiper Compagnons ontkrachtte het beeld dat er veel initiatief vanuit de burger komt. Hij plaatste de organische stedenbouw in een politiek ideële context, die van het verlies van het geloof in de maakbare samenleving. Van den Boomen analyseert een opmerkelijke verandering in het politieke spectrum. Daar waar de PvdA vroeger dé partij was van de sociale volkshuisvesting, is partij-prominent Adri Duivestijn nu de aanjager van een volledig liberale bouwmarkt. Daar tegenover staat Volendam dat onder leiding van een VVD wethouder woningen gaat ontwikkelen. De liberalen proberen daarmee controle te krijgen over de vrije woningmarkt.

Deregulering als gevolg van liberalisme en een anti-eindbeeld houding zijn de uitgangspunten van organische stedenbouw. Dit neemt niet weg dat er wel degelijk een helder ontwerp ten grondslag kan liggen aan een plan, zo laat Jeroen de Willigen van De Zwarte Hond in hun masterplan voor de Anna’s Hoeve in Hilversum zien. Langs een slingerende groene ontsluitingsroute liggen grote kavels waarop diverse invullingen kunnen komen. Groene lobben verbinden de ontsluitingsroute met de natuur rondom. Het is deze groenstructuur die samen met herkenbare ontwikkeleenheden resulteert in een enthousiasmerend beeld.
Waar De Zwarte Hond duidelijke kaders vaststelt en ook een aanzet geeft tot landschappelijke inbedding, daar laat MVRDV in hun masterplan voor Almere Oosterwold alle teugels vieren. Jeroen Zuidgeest van MVRDV presenteerde een ontwikkelstrategie die het mogelijk maakt om elke droom te realiseren mits je wel zelf alles regelt. Een groot stuk grond staat je ter beschikking als er individueel of binnen het collectief wordt bijgedragen aan infrastructuur en voorzieningen. Het bureau vertrouwt erop dat de bewoner zelf de weg en riolering naar zijn kavel gaat betalen. Goede begeleiding in dat proces lijkt mij essentieel wanneer verantwoorde en duurzame stedenbouw het streven is. Of vervalt dit streven samen met het eindbeeld? Wat nu werkelijk de ambitie voor het gebied is, wordt mij niet duidelijk. Het heeft erg de schijn van een volledige overgave aan de onzekerheid.

Als we het fenomeen ‘organische stedenbouw’ historisch beschouwen, dan is duidelijk dat we hier bepaald niet met een revolutie te maken hebben. ‘Het is juist de typisch voor Nederland grootschalige manier van plannen die relatief nieuw is’, zegt Gijs van den Boomen als het rondetafelgesprek begint; ‘Tot 100 jaar geleden ging alles organisch’.
Een voorbeeld om de opmerking van Van den Boomen te illustreren, is de Uitleg van Amsterdam die heeft geresulteerd in de Grachtengordel. De groei van de stad in economisch en demografisch opzicht, en de noodzaak defensiewerken op te richten, leidde tot het door de stad gefinancierde grachtenpatroon. Tussen de grachten moest door middel van uitgifte van vrije kavels het geld weer terugverdiend worden. De ontwikkeling ging stapsgewijs en meer dan een eeuw lang verkeerde de Grachtengordel in een staat van wording.

Waar dit voorbeeld in verschilt met de huidige situatie, is het moment van economische voorspoed van toen. Nu worden we noodgedwongen geconfronteerd met deze vergeten vorm van stedenbouw. Volgens Jeroen Zuidgeest en Reimar von Meding loopt de opleving parallel met de toenemende individualisering van de samenleving. Door middel van de kleine kavel kan op deze trend ingespeeld worden; iedereen kan nu zijn eigen identiteit vertalen in een heel specifiek woonproduct. Die redenatie van het individualisme gaat maar voor een deel op, de discussie over organische stedenbouw is immers niet uit luxe ontstaan, of vanwege zoveel onvrede over het bestaande woningaanbod – de meeste mensen hoeven niet zo nodig hun eigen huis te bouwen – het is een direct gevolg van de crisis doordat er nog amper door de overheid aangestuurde gebiedsontwikkelingen plaatsvinden.

Prangende vraag is wat de toekomst wordt van het stedenbouwkundig ontwerp zelf. Zijn er überhaupt nog idealen en zo ja, hoe kunnen deze nog verwezenlijkt worden? Er lijkt overeenstemming tussen de gespreksdeelnemers dat stedenbouw spannender wordt en dat het ontwerp zich zal richten op het ontstekingsmechanisme van de ontwikkeling; de stimulans van collectief initiatief. Het ideaal is niet meer een visie op de samenleving vertaald in een totaalplan, maar het feit dat de stedenbouwkundige onderdeel wordt van een vormingsproces. Dit leidt helaas wel tot een bijna krampachtige antipathie jegens eindbeelden. Ik kan mij niet aan de indruk onttrekken dat deze positie in sommige gevallen ook wordt ingenomen om verantwoordelijkheid voor het welslagen van een plan naast zich neer te kunnen leggen. Waarom kan een eindbeeld niet juist hét handvat zijn voor ontwikkeling? Het kan voor burgers complexe materie samenvatten in een wervende denkrichting. Ontwerpers zijn bij processen ook belangrijk als verbeelders, niet alleen als strategen.
Het totaalplan wordt bij organische stedenbouw naar de prullenbak verwezen, wat ervoor terugkomt is de één op één relatie met overwegend mondige en beter bedeelde burgers die werken aan hun eigen omgeving. Een nieuw hoofdstuk wordt geschreven in het verhaal over de maakbare samenleving, het is wel een hoofdstuk met open einde.-