Recensie —

Adjaye, Africa, Architecture

Thomas Wensing

Het boek Africa Architecture van architect David Adjaye is een fotografische documentatie van de 53 hoofdsteden op het Afrikaanse continent. Het kleurrijke en lijvige boek bestaat uit 7 delen: één deel met essays en zes delen gewijd aan de steden in de zes verschillende Afrikaanse klimaatzones. Hoewel de steden ieder worden geïntroduceerd met een korte inleiding, is het boek vooral bedoeld als visuele ontdekkingsreis.

Over een periode van meer dan tien jaar fotografeerde David Adjaye alle Afrikaanse hoofdsteden. Adjaye, geboren in 1966 in Dar Es Salaam (Tanzania), emigreerde eind jaren zeventig met zijn Ghanese familie naar Groot Brittannië. Gedurende zijn jeugd bezocht hij Afrika regelmatig, hetzij vanwege het werk van zijn vader, een diplomaat, of voor vakanties. Adjaye’s fascinatie voor Afrikaanse steden begon pas in ernst als jong volwassene, op het moment dat hij foto’s ging maken van de koloniale architectuur, maar ook van de meer mondaine aspecten van het Afrikaanse leven in marktplaatsen en krottenwijken.
Bij terugkomst in Londen liet hij de foto’s aan vrienden zien en was verrast door de gefascineerde en enthousiaste reacties die de foto’s teweeg brachten. Weinigen bleken zich een voorstelling te kunnen maken van de verschijningsvorm van Afrikaanse steden, hoe ze functioneerden, hoe levendig en complex ze waren, en wat hun geschiedenis was. David Adjaye realiseerde zich dat ondanks het feit dat het hier gaat om wereldsteden in opkomst, de media er (te) weinig aandacht aan besteedt. De overheersende beeldvorming rond Afrika is veelal negatief en bevestigt daarmee onbedoeld de clichés van onderontwikkeling en achterstand die er bij velen bestaan. Binnen deze context kregen de vakantiekiekjes voor Adjaye ineens een andere dimensie en ontstond het idee om steden fotografisch te catalogiseren en te onderzoeken.

Ook al worden vanaf dit moment het reizen en het fotograferen frequenter en systematischer, het blijft vooralsnog een persoonlijk document. Tot hij in 2003 door Harvard University wordt gevraagd om deze foto’s tentoon te stellen – dezelfde periode dat Rem Koolhaas zijn Project on the City-programma uitvoert op Harvard met onder andere een studie naar Lagos (Nigeria).
Op deze tentoonstelling in Boston in 2003 waren foto’s te zien van 12 steden: Accra (Ghana), Addis Ababa (Ethiopië), Asmara (Eritrea), Caïro (Egypte), Dakar (Senegal), Harare (Zimbabwe), Kigali (Rwanda), Lusaka (Zambia), Maputo (Mozambique), en Nairobi (Kenia). Na positieve reacties in de Amerikaanse pers nam het project in omvang toe en werd een uitgebreidere tentoonstelling onder de naam Urban Africa voorbereid. Het project werd hier uitgebreid naar 52 hoofdsteden van Afrika, alleen Mogadishu ontbrak. De show opende in 2010 in het Design Museum in Londen en in totaal waren er zo’n 3000 foto’s te zien.

Na de tentoonstelling in het Design Museum is er nu dus het boek Africa Architecture, dat in feite kan worden gezien als een catalogus van deze tentoonstelling. Net als de tentoonstelling Urban Africa volgt ook het boek een indeling in zes klimaatzones; de Maghreb, de woestijn, de Sahel, regenwoud, savanne en grasland, bergen en hoogland; iedere klimaatzone zijn eigen deel. Binnen de afzonderlijke delen zijn de steden alfabetisch gerangschikt, zodat je het continent al lezend van oost naar west en noord naar zuid doorkruist. Adjaye relativeert zo het koloniale verleden en de etniciteit van de lokale bevolking, maar stelt tegelijkertijd in de tekst de vraag wat de verschillen zijn tussen Portugese, Britse, Franse, Italiaanse koloniale steden. Als je deze vraag beantwoord wilt zien, is een indeling in klimaatzones dan wel zo slim, zo vraag ik me af. En wat te denken van de keuze om zich alleen op hoofdsteden te richten?
Het boek wordt op meerdere fronten gekenmerkt door een dergelijke tweeslachtigheid. Zo is er de pretentie dat het hier gaat om een visuele catalogus die de urbanisatiepatronen onderzoekt in het gehele Afrikaanse continent, maar laat het kaartmateriaal ronduit te wensen over en lezen de hoofdstukken te veel als een praatje bij een plaatje.
Er is in het boek geen analytisch kader te ontdekken en ondanks de goede bedoelingen komt het niet verder dan enkele ‘observaties’ bij elke stad. Zo wordt er bijvoorbeeld soms aangestipt dat er shopping malls en gated communities gebouwd worden en dat dit te betreuren is. Het zou echter overtuigender zijn als een dergelijke conclusie pas getrokken wordt nadat economische data is geraadpleegd en geanalyseerd. Op het moment dat stedenbouwkundige ontwikkelingen worden ingegeven door groeiende inkomensverschillen en segregatie dan is deze ontwikkeling inderdaad te betreuren. Als het tekenen zijn dat er zich een nieuwe, zelfbewuste, middenklasse ontwikkelt die het zo af en toe leuk vindt om te shoppen in de mall, dan kan dat juist heel goed zijn voor een land.

Natuurlijk zal Adjaye een duidelijk ander stempel op Afrika en zijn ‘onderzoek’ hebben willen drukken dan dat OMA/AMO voor Lagos heeft gedaan. Zo zal hij bewust een eigen, Afrikaans, geluid hebben willen laten horen. Hij heeft zich inderdaad onderscheiden door een overvloed aan grafische informatie en opgeblazen retoriek te vermijden. Op zich is dat natuurlijk bewonderenswaardig, ware het niet dat behalve de visuele informatie die de (vaak amateuristische) foto’s biedt, het boek geen dieper begrip van de Afrikaanse stad en haar politieke, economische en sociale verhoudingen biedt.
Ik had graag een middenweg gezien tussen de ‘datascapes’ van OMA/AMO, de naïeve toeristische kiekjes van Adjaye en een grondige wetenschappelijke aanpak.

De essays, die in een apart deeltje zonder afbeeldingen zijn gepresenteerd, onderschrijven wederom de tweeslachtigheid die Adjaye Africa Architecture kenmerkt. Het lijkt net alsof het gebrek aan diepgang in een laat stadium is gerealiseerd en dat de essays er als het ware aan zijn geplakt. Dit keer een praatje zonder plaatje, zodat het voor de lezer niet makkelijk valt te verifiëren of wat er gezegd wordt ook daadwerkelijk hout snijdt.
Adjaye heeft het over zijn jeugd en fascinatie voor Afrika, maakt een paar goede punten – ‘Afrika is het eerste continent dat verstedelijkt’ – en besluit met de gemeenplaats dat begrijpen begint met kijken. “The process behind this project is based on a way of understanding how to make a language when the starting point is looking.” Er wordt ook hier niet duidelijk wat Adjaye precies heeft gezien, wat deze nieuwe taal is en wat zijn conclusies zijn.
Het volgende hoofdstuk van Suzanne Preston Blier geeft eindelijk het broodnodige historische kader over stedenbouwkundige ontwikkelingen in Afrika, maar lijdt ook duidelijk onder het feit dat er geen beelden worden gebruikt en dat er pakweg een periode van 10.000 jaar en een heel continent in vijf pagina’s worden behandeld. Het artikel van Okwui Enwezor, getiteld Friend, enemy, stranger: proximity and the crisis of hospitality, is het enige deel in het boek dat duidelijk de gecompliceerde geschiedenis en socio-economische fragmentatie van Afrika verder probeert te articuleren. Ook hier geldt echter dat de tekst zou zijn gebaat met een directe koppeling aan de foto’s van de steden die worden besproken.

De ambitie die uit de vormgeving en omvang van het boek spreekt wordt uiteindelijk niet door de inhoud waargemaakt. Ik wil niets afdingen aan David Adjaye’s prestatie om het licht nu eindelijk eens op het ‘donkere’ continent te laten schijnen, maar hij had er meer van had kunnen maken dan deze ellenlange presentatie van het ene na het andere architectuurkiekje. De explosieve urbanisatie van Afrika is even fascinerend als dat het complex is en verdient grondige studie, aandacht en oplossingen; het boek had wat mij betreft veel dieper mogen gaan. Afrika verdient beter.