Recensie —

Genk herbestemd

Joep Gosen

Daar sta ik dan! Een pikdonkere smalle ruimte. Een streepje licht, ergens boven in de hoek, lonkt me. Ik ben helemaal alleen en heb het koud. Ik zit vast. Ben betrokken bij een mijnramp? Voorzichtig schuifel ik verder

Hoe kwam de auteur dezes in zo’n penibele situatie terecht? Welnu Archined vroeg mij een artikel te schrijven over twee pas gerealiseerde projecten aan de C-mine te Genk: het plein van Hosper landschapsarchitectuur en stedebouw uit Haarlem en de C-mine expeditie van NU architectuuratelier uit Gent.

Het Plein
Laat op een zaterdagochtend met wisselvallig weer bezoek ik het plein. Er vallen twee dingen op; de grote leegte en de harde wind. Op dat moment wandelt er een andere persoon over de vlakte, nota bene een bekende. Later op de dag komen er meer mensen naar het plein. Op de vele (amateur) fotografen na blijft het merendeel aan de rand wandelen. De voormalige mijn van Winterslag ligt hoog in het landschap. Op de terril na zijn er geen hogere punten in de directe omgeving. Het rechthoekige plein wordt begrensd door drie gebouwen: de nieuwe MAD-faculty, de energiegebouwen die door 51N4E op fantastische wijze getransformeerd werden tot cultuurcentrum  en de voormalige badzalen (nu bioscoop). Aan de vierde zijde, de dalkant waar ook de Vennestraat1 en Genk-centrum liggen, zou eigenlijk nog een gebouw moeten komen. Vooralsnog is er een schuine weide gemaakt. Liggend op de rug heeft de bezoeker vanaf hier een mooi uitzicht op de twee immense stalen lifttorens. Zij staan links en rechts op het plein en bepalen het fysieke voorkomen ervan. Samen met ontbrekend gebouw zorgen zij voor het winderige en onaangename klimaat van de plek.

De pleinvloer bestaat uit zwarte leisteen van verschillende formaten en legwijzen. Ze verwijst naar het zwarte goud, de kolen die uit de Genkse mijnen kwamen. Tegen de gebouwen bestaat de bestrating uit robuuste flagstones. Hoe verder naar het midden van het plein hoe informeler de bestrating wordt, hier is het voornamelijk gravel. Zodra het vlakke plein de oorspronkelijke gebouwen of bestaande groenelementen nadert ontstaan er groene heuveltjes; objecten die de ruimte verlevendigen en proberen te definiëren. Zo ontstaat er een analogie met de grenzen van een traditioneel stadsplein; plein, groenrand, weg, stoep, gebouwen.
Her en der staan desolate groepjes stoelen. Over smaak valt niet te twisten en er is zeker aandacht besteed aan vormgeving en uitstraling. De rode kleur contrasteert bijvoorbeeld mooi met de grijze natuursteen. Desalniettemin is gezellig en uitnodigend om te gaan zitten iets anders. Daar leent het terras bij de Italiaan zich meer voor! Het pleinmeubilair is zo ontworpen dat het in geval van evenementen of activiteiten gemakkelijk verwijderd en na afloop weer terug geplaatst kan worden.

Rondom de kleine lifttoren staan enkele vreemd vormgegeven witte staalplaten meubelstukken. Zij zijn de aankondiging van het avontuur dat zich onder het plein bevindt en waarin de schrijver dezes verstrikt raakte: de C-mine expeditie. Op een van die objecten staat ‘Cyriel de Krekel, klein van formaat, groot in zijn daad’, het insect dat synoniem staat voor de kleine mens die Winterslag, Genk en het omringende landschap gemaakt heeft tot wat het nu is. Het plein past prima bij het karakter van deze stad: weerbarstig, tegendraads, unheimlich en een tikkeltje oncomfortabel. Maar ook; jong, fris, groots, open, ruim en optimistisch. In Genk durft men nog te geloven in een toekomst!

De C-mine expeditie
Direct onder de oppervlakte van het plein liggen de oude ventilatietunnels van de mijn. Stad Genk zag terecht de kwaliteit en potentieel van deze ruimtes en vroeg, middels een prijsvraag, naar ideeën voor een publiekstrekker. NU architectenatelier antwoordde hierop met een rondgang die ook de bestaande dubbele gang (van badzalen naar lift) en de liften zelf in het ontwerp betrok.

Met mijn entreekaartje in de hand loop ik naar een uithoek op de eerste verdieping van het cultureel centrum. Een wenteltrap loopt de diepte in, steeds smaller wordend, totdat hij op een onooglijk blauw schuifdeurtje stuit. Plotsklaps schiet dat omhoog. Een koude windvlaag komt me tegemoet. Er kan maar een bezoeker tegelijk naar binnen in de nauwe in het beton uitgehouwen gang. Binnen ruikt het muf. Een vreemd, bijna beangstigend gevoel, overvalt me. Even verderop staat een grote stoffige ventilator, versteend, als een fossiele ammoniet uit de prehistorie. De trap af en ik sta in de grote ruime ventilatietunnel. De wanden zijn bekleed met generaties stof van kilometers diep.

In de functioneel vormgegeven halfronde zwarte tunnel hangen witte volumes; uit staalplaat gevouwen origami. Ze hebben op het plein hun evenknie in de vorm van het witte meubilair rondom de kleine liftschacht. Als eerste hangen er vijf hoekige cocons. Dit is ‘het geheugen’ waarin evenveel eigentijdse verhalen over de mijnstreek verteld worden. Daarna staat er een ‘geluidscel’. In een scheepsbrug-achtige ruimte kunnen er naar lust typische geluiden uit de mijn gemixt worden. Heel leuk speelgoed dus. En er hangt een groot rond draaiend scherm, de ‘panoramakijker’. Hiermee kan de bezoeker zien wat er op het plein gebeurt.

Ik loop zonder dralen dwars door een vreemd woud van schuinstaande L-vormige betonnen pilaren. De bedoeling zou moeten zijn dat de bezoeker gedesoriënteerd raakt. Door de schaal en de uitgesproken richting werkt dat helaas niet overtuigend. Aan het eind van dit doolhof ligt de ‘witte en zwarte gang’. Deze dubbele gang werd door de mijnwerkers respectievelijk aan het begin (schoon dus wit) of het eind van de shift (vies van het koolgruis dus zwart) gebruikt. Steeds opnieuw word ik verrast door het geluid van voetstappen en flarden van gesprekken. Ik vraag me af of ze daar écht aankomen; de kompels van weleer. Deze ervaring is gewoonweg hallucinant.

Een steeds dichter wordend bos blinkende stalen ‘stempels’ beëindigt heel slim de gang. Als vanzelf word ik naar de donkere zwarte wenteltrap geleid. Een streepje veelbelovend licht lonkt me. Voorzichtig schuifel ik omhoog. Alhoewel ik wist wat zou komen, een uitzicht over het plein vanaf 15 meter hoogte, ben ik alsnog verrast. Vanaf hier kan de bezoeker tot op het niveau van de machinerie klimmen. Het uitzicht op tachtig meter hoogte is ronduit spectaculair. De invloed van de mijnbouw op de verre omgeving2 is duidelijk zichtbaar.

Om deze beklimming mogelijk te maken zijn aan de hoogste liftschacht een aantal elementen toegevoegd waaronder de dubbele wenteltrap. De toevoegingen onderscheiden zich van de oude constructie door hun vormentaal en witte kleur. Ze storen niet omdat ze eenzelfde structurele logica en warse pragmatiek bezitten. Ze stellen de liftschacht en haar betekenis vandaag de dag ter discussie. Waarom zouden we de liftschachten laten staan? Omdat het mooie objecten zijn? Omdat ze een sentimentele betekenis hebben voor onze opa’s en oma’s? Of omdat zij onlosmakelijk met het huidige karakter van de mijnstreek van doen hebben?

Terug beneden valt het licht uit. Daar sta ik dan in het pikkedonker. Moederziel alleen. De vijfhoekige tunnel vind ik op de tast nooit terug. Deze zou me toch naar de uitgang moeten leiden. Plots hoor ik voetstappen, eerst ver weg en dan steeds dichter bij. Een hel wit licht. De heilige Barbara?

Het felle schijnsel van een zaklamp priemt in mijn gezicht. Het blijkt ‘slechts’ de vrijwilligster van achter de balie te zijn. Hoewel gekleed in het zwart is ze vandaag mijn reddende engel!
Er is namelijk stroompanne en dus geen licht…

De C-mine expeditie plaatst de mijn van Winterslag op een nieuwe manier in het ‘landschap’. NU architectuuratelier vertelt met voornamelijk architecturale middelen op een integere en eenvoudig interpreteerbare manier het hoe en waarom van het sociale, culturele en fysieke landschap van Genk en omgeving. De stad zal echter goed na moeten denken hoe zij in de toekomst de C-mine expeditie spannend en actueel kunnen houden. Hoeveel mensen zullen er na een eerste bezoek nog terug komen indien ze niet overvallen worden door stroompanne? De expeditie valt immers te reduceren tot een mooi maar duur parcours naar een ordinair uitzichtplatform. Haar zorgvuldige vormgeving en het interessante verhaal dat ze vertelt ten spijt.