Recensie —

Woelige baren: de geschiedenis van proces, personen en plannen voor de zuidelijke IJ-oevers in Amsterdam

Vincent Kompier

De foto bovenaan pagina 278 van het boek Amsterdam terug aan het IJ zegt meer dan duizend woorden. Op de foto is een twintigtal mensen te zien die in strandstoelen op het dak van wetenschapscentrum NEMO aan het Oosterdok liggen te zonnen. Ze kijken uit op de mond van de IJ-tunnel. De foto toont aan wat er mis is met de zuidelijke IJ-oever in Amsterdam: ze zitten niet aan de zuidelijke IJ-oever, maar aan het Oosterdok. Vanaf daar is uitzicht op de oude stad, daar is het zonnig, dit in tegenstelling tot de zuidelijke IJ-oever.

Het is niet makkelijk om een evaluatie te schrijven en daarbij tegelijkertijd je eigen werk kritisch te beschouwen. Dat blijkt uit het boek Amsterdam aan het IJ van uitgeverij SUN, waar gemeentelijke medewerkers aan de zuidelijke IJ-oevers in een kloek boek bijna 35 jaar planning beschrijven. Het boek is opgedeeld in vijf delen: historie, proces, personen, plannen en perspectief. Het onderdeel historie komt er met zes bladzijden enigszins bekaaid van af in een boek dat meer dan 280 pagina’s telt. Winnaar is het onderdeel plannen, dat 86 pagina’s beslaat. Bij dat onderdeel is het jammer dat het geen interactief boek is, want alle plannen smeken erom om aangetikt te worden om ze beter te kunnen bekijken. Wat is er van alle plannen terechtgekomen?

De aanleiding voor de herontwikkeling van de zuidelijke IJ-oevers wordt in het boek wederom per abuis toegeschreven aan het afsluiten van het Open Havenfront aan het Damrak. Als het Rijk niet besloten had om het centraal station op een eiland aan het einde van het Damrak te situeren, dan had Amsterdam aan het IJ gelegen en dan had er niet vanaf 1978 nagedacht hoeven te worden over hoe Amsterdam terug te brengen aan het IJ, zo menen de auteurs. Stedenbouwkundige Han Meyer heeft in het boek Ontwerpen voor de onmogelijke stad uit 1993 al overtuigend aangetoond dat deze veronderstelling niet opgaat. Meyer stelt dat de IJ-oevers altijd een ‘zijkant’ van de stad zijn geweest, afgezoomd met rijen palissaden en later met dokken. De stad heeft de IJ-oevers ook in het verleden nooit bereikt. Maar is dat inmiddels na 35 jaar plannenmakerij dan nu wel gelukt? De auteurs van het boek vinden van wel, het is maar de vraag of dat terecht is.

Een aantal belangrijke ijkpunten in de ontwikkelingsgeschiedenis van de zuidelijke IJ-oevers wordt in het boek behandeld. Een zo’n ijkpunt is de affaire rondom de AWF; “moeras, wespennest, slangenkuil, mijnenveld en drijfzand tegelijk” is de treffende omschrijving van de commotie die de ambtelijk-politieke situatie oproept. AWF staat voor de Amsterdam Waterfront Financieringsmaatschappij, een club van financiële instellingen die in 1992 met de gemeente, een public-private partnership aanging. Dat mondde uit in een spectaculair plan van hoofdontwerper Rem Koolhaas, die met zijn ontwerp de zuidelijke IJ-oevers van Sloterdijk tot aan IJburg had opgerekt. ‘Het langste terras van Amsterdam’ werd het plan met understatement voor de Amsterdamse overgevoeligheid voor ongezelligheid genoemd. Gemeente en AWF konden echter niet door een deur wegens inhoudelijke en financiële meningsverschillen. En in 1993 was het exit AWF.

Een volgend startpunt vormde de nota Ankers in het IJ uit juni 1995. De lange zuidelijke IJ-oever werd per eiland opgedeeld, ieder met een eigen hoofdontwerper en projectmanager. Deze nota was geen totaal- of masterplan voor de hele oever, maar een ontwikkelingsstrategie en had een geleidelijke verovering van het IJ tot doel. Publiekstrekkers en (semi-)openbare gebouwen dienden de Amsterdammer “in het dagelijks stadsgebruik” te verleiden om naar het IJ te komen. Wetenschapscentrum NEMO, de Passagiers Terminal Amsterdam, het muziekgebouw aan het IJ, het BIMhuis, Pakhuis de Zwijger, de Openbare Bibliotheek, het Conservatorium, architectuurcentrum ARCAM en tot slot het gerestaureerde scheepvaartmuseum worden genoemd als publiekstrekkers voor dit dagelijks leven.

Het POR uit 1999, ofwel Plan Openbare Ruimte, zou alle losse eilanden ruimtelijk aan elkaar moeten knopen. Overheidsinvesteringen in de openbare ruimte dienden als katalysator voor zowel private investeringen als maatschappelijke activiteiten. Soberheid en terughoudendheid waren volgens landschapsarchitect Michael van Gessel, tevens lid van het supervisieteam, het ontwerpuitgangspunt. Dit POR is onder grote tijdsdruk tot stand gekomen. De angst bij de gemeente om na het AWF-debacle wederom publiekelijk te falen, was zo groot dat reflectie er bij inschoot. POR-ontwerper René van der Velde, als extern ontwerper door de gemeente aangesteld, noemt in Amsterdam terug aan het IJ het gebrek aan tijd en daarmee reflectie over wat die IJ-oever nu eigenlijk is, als grootste handicap voor een succesvolle uitvoering van het POR. Waarmee de stelling dat niet ruimte of geld, maar haast het grootste probleem is in de Nederlandse ruimtelijke planning.

Met deze kritiek van Van der Velde komt de essentie die dit boek ontbeert venijnig naar voren. De hamvraag waarom Amsterdammers naar de IJ-oevers toe zouden moeten, wordt niet beantwoord. En zijn die zogeheten ankerpunten werkelijk opgenomen in het dagelijks leven van de Amsterdammer? Dat zal wellicht voor de bibliotheek gelden, maar die ligt niet aan de IJ-oevers, maar aan het Oosterdok, en dat is duidelijk geen IJ-oever. Eenieder die naar het op de noordelijke IJ-oever gelegen nieuwe filmmuseum – pardon EYE – is geweest kan met eigen ogen zien dat het oorspronkelijke doel om de stad dichter naar het IJ te brengen, mislukt is. Niet voor de weinige gelukkigen die in de woonblokken aan het IJ zijn komen te wonen, maar voor de rest van de Amsterdammers. Er is een muur tussen stad en IJ verrezen, van baksteen, voor dat rustieke havengevoel. De ontwikkelingen aan zowel de Oostelijke Handelskade, als op het Ooster- en Westerdok hebben met massa en volume de stad verder van de IJ-oevers afgedreven dan ooit. De vraag is of dat erg is. Misschien niet, want zoals Michael van Gessel in het boek stelt: “Dit is een koude, kille oever. Het is geen boulevard, of promenade. Ik moet een groot gevecht leveren om geen bomen op de kades te krijgen”. Het IJ leent zich domweg niet om aantrekkelijk, of op z’n Amsterdams ‘gezellig’ gemaakt te worden. Ook functioneel is Amsterdam niet aan het IJ gekomen. Na het falen van het AWF-avontuur is het accent in de programmering verschoven van kantoren naar wonen en culturele voorzieningen. In het boek wordt toegegeven dat de culturele functies die er gerealiseerd zijn zich sterk richten op de high culture. En daarmee niet op de doorsnee Amsterdammer, maar op de (witte) culturele elite.

Wat voor de ontwikkeling van de zuidelijke IJ-oevers geldt – opgeknipt in delen zonder duidelijke samenhang – geldt helaas ook voor het boek. De losse onderdelen willen – vormgeving ten spijt – maar geen geheel worden. Het uiteen trekken van proces, plannen en personen leidt ertoe dat sommige aspecten dubbel verteld worden, zonder dat er sprake is van een toegevoegde waarde. Het is een gemiste kans dat in het boek niet kritisch wordt teruggekeken op de plannen en rollen van de belanghebbenden in het proces. Die processen worden uitvoerig beschreven, er worden (soms persoonlijke) harde noten gekraakt, maar over de inhoud van de plannen en de relatie van de plannen tot de rest van Amsterdam wordt weinig gereflecteerd; er wordt veel gepraat, maar weinig gezegd.

De enige die voorzichtig kritisch op de toekomst van die andere oever – de noordelijke IJ-oever – vooruitblikt is stedenbouwkundige Robert Broesi (geen gemeentelijk ambtenaar). Die noordelijke IJ-oever heeft – dat moet worden gezegd – een veel betere ruimtelijke startpositie dan de zuidelijke: het is de zonkant van het IJ. Broesi noemt schaalgrootte en diversiteit als belangrijke aandachtspunten voor de ontwikkeling van de noordoever. De huidige schaal van ontwikkeleenheden stelt hij ter discussie. Broesi pleit voor een Plan Onbebouwde Ruimte, als tegenhanger van het Plan Openbare Ruimte dat zijn beloftes niet heeft kunnen waarmaken door dat het zich te sterk afhankelijk maakt van de komst van vastgoed. Het boek is daarmee onbedoeld te zien als een afsluiting van grootschalig door de overheid volledig geregisseerd en gestuurde planning, waar het particuliere initiatief als innovatieve kracht voor het creëren van een aantrekkelijke en diverse stad grotendeels ontbreekt. Dat beeld wordt door de (weinige) particuliere belanghebbenden die in het boek worden opgevoerd bevestigd; zij zijn kritisch op de starre houding van de gemeente gedurende de oeverontwikkeling.

De eerste tekenen aan de overkant van het IJ geven helaas weinig hoop op verbetering. Het allermooiste plekje aan het IJ is met de ontwikkeling van Overhoeks verworden tot een verzameling appartementengebouwen in het topsegement met Costa-del-Solallure. Maar dan zonder publiek terras, een winkel, of überhaupt een plek waar je een kop koffie kan krijgen, alle Jane Jacobsfans bij de gemeente Amsterdam en studies over menging en diversiteit ten spijt. Ook de herontwikkeling van de Shell-kantine, het bijzondere gebouw van Arthur Staal, is slepend. Het omvormen van deze oude kantine tot weer een culturele hotspot is inmiddels met zoveel (ambtelijk) gedoe gepaard gegaan, dat de oorspronkelijke tijdelijke huurperiode van vijf jaar inmiddels is opgesoupeerd door gebakkelei en geruzie. Hoe moeilijk kan het zijn om van een oude kantine een aantrekkelijke horecaplek aan het IJ te maken? Ondertussen staat de Shell-toren al weer jaren leeg en wordt dit monument schaamteloos als reclamezuil gebruikt. Voor reclame voor de Hermitage, die aan de Amstel ligt. En niet aan de Zuidelijke IJ-oevers.