Recensie —

Architectuurboek Vlaanderen N°10

Bjorn Houttekier

‘Een ambitieus boek’, zo noemt Christoph Grafe, directeur van het Vai (Vlaams Architectuur Instituut) het net verschenen Architectuurboek Vlaanderen n° 10. Gretig is het zeker. In klein formaat barst het uit zijn voegen van ambitie. De jubileumeditie werd een drukvat dat vele kanten op stuitert maar soms ook stoom verliest.

Na negen ‘jaarboeken’ werd deze keer gebroken met de traditie om de samenvatting van twee jaar bouwen in Vlaanderen in een portfolio-achtige vorm te vatten. Hoofdredacteur Christoph Grafe stelt het resoluut in zijn inleiding; met dit boek wil hij geen compendium van exemplarische gebouwen presenteren, maar een handvest van hoe het Vlaamse bouwen bijdraagt aan een Europese architectuurcultuur. Het boek haakt zo aan bij de inzending voor de architectuurbiënnale van Venetië ‘The Ambition of the Territory’ en ondersteunt een slim georkestreerde tournee langs Amsterdam, Keulen en Londen. Vrijblijvend wil het niet zijn: zestien projecten met daaromheen fotoreportages en een groot aandeel teksten moeten diepzinnigheid en experimenteerdrang uitstralen. Met als ondertitel ‘Radicale Gemeenplaatsen’ – een nogal pofferige rebus – en Grafe’s vondst om de recente Vlaamse architectuur ‘ondogmatisch contextualisme’ te noemen, werd het een werkstuk dat pleinvrees koppelt aan borstklopperij: onder schijnbaar uniforme vlag treedt Vlaanderen de wereld tegemoet.

Wat meteen opvalt is het beperkt aantal geselecteerde projecten. Waar het vorige – ‘echte’ – jaarboek er nog 38 bundelde, werden het er nu 16. Een bescheiden gezelschap dat nog kleiner wordt wanneer men weet dat twee kantoren (Office KGDVS en 51N4E) elk twee projecten tellen en twee andere kantoren (Neutelings Riedijk en Diener en Diener) grotendeels of volledig buitenlands zijn. Slechts 12 ‘Vlaamse’ architectuurpraktijken belichamen dus twee jaar bouwen in één van de dichtst bevolkte regio’s van Europa: een bescheiden sommetje in het licht van de forse positionering. Door dit gereduceerde aanbod verflauwt de stelligheid van Grafe’s ‘ondogmatische’ beweging en neigt het boek eerder naar een bespreking van uitverkoren individuen.

Dat een groot deel van de Vlaamse productie – vastgoedvilla’s en ‘pastorie’woningen – niet aan bod komt is logisch, maar het ontbreken van kwaliteitsvolle sociale woningbouw vormt op zijn minst een leemte. De kleine selectie weerlegt daarenboven de Europese geestdrift van het Architectuurboek. In tegenstelling tot de internationale waardering voor de Open Oproep-formule die de voorbije jaren een heel aantal voldragen gebouwen opleverde, presenteert deze editie slechts een bescheiden aanbod. Ook de vaststelling dat veel van de projecten in het Jaarboek reeds bekend zijn bij wie enigszins de vakliteratuur volgt, wijst op een gebrek aan kwalitatieve inzendingen òf op te weinig exploratiedrang bij de redactie. Enkel het wijkgezondheidscentrum van De Smet Vermeulen Architecten, twee fenomenale woningen van Marie-José Van Hee of de fijne brug in Dendermonde van Atelier JPLX zijn echt ontdekkingen.

In zijn opbouw stroomlijnt het Architectuurboek plannen, foto’s en teksten in twee afgebakende delen. Het eerste centreert zich rond een reeks fotografen die aangezocht werd een impressie van de gekozen projecten te maken: een interessante denkpiste die toelaat de realiteit van het gebouwde los te weken van het vaak te gemaniëreerde architectuurportret. Spijtig wel dat het niveau van de foto’s meermaals dat van de glossy niet overstijgt. Gelukkig werken de beelden van Arno Roncada en Nick Hannes bevrijdend. De ene toont architectuur als gepolijste compositie, de andere als de triviale achtergrond voor het modale leven.

Het tweede deel van het boek bundelt plannen, snedes en 11 essays tot een lijvig katern. Hier is de breuk met vorige uitgaven het meest voelbaar. Er werd afgestapt van de veilige opeenvolging van gebouwenfiches en gekozen voor een meer avontuurlijke schikking, waarbij de 16 projecten dienen als kapstokken voor architecturale beschouwingen. De uitkomst is dubbel: in plaats van heel snel plaatjes kijken en je persoonlijke favorieten te kunnen aanduiden, mikt dit boek op een geleidelijke kennismaking met de geselecteerde gebouwen. De lay-out van de pagina’s onderstreept die strategie. Kleine beelden dienen veeleer als ondersteuning bij de essays dan als autonoom gebouwdossier. Die dominantie van tekst over beeld blijkt ook uit het feit dat projectinformatie werd verspreid over 170 pagina’s: een tactiek die slechts meerwaarde biedt voor wie bereid is alles grondig te lezen. De geïnteresseerde leek, die een overzichtelijke architectuurcanon van voorbije twee jaar verwacht, kan weinig meer dan wat onsamenhangend bladeren.

In de lijn van het gehele boek  springen ook de essays qua toon heftig heen en weer: het gaat van vulgariserend, over beschouwend tot academisch en zelfs filosofisch. Voor Belgen en niet-Belgen wordt door Pieter T’Jonck de onontwarbare knoop Brussel nog eens diagonaal uit de doeken gedaan en er is uitgebreid aandacht voor stedenbouwkundige kwesties. Jammer dat een bijdrage als ‘Auf Holzwegen’ van Axel Sowa onuitgewerkt en abrupt stopt: de interessante thematiek van ‘Vlaamsvreemd’ houtgebruik mocht gerust wat dieper behandeld worden. Ook de monografische tekst over Marie-José Van Hee duikt raar op en valt enkel te rechtvaardigen door de fenomenale kwaliteit van haar sobere, oneigentijdse oeuvre. Een dialoog of confrontatie met het werk van opkomend talent zou echter meer in de lijn van een architectuurkritisch overzicht gelegen hebben.

Door de veelheid aan benaderingen ontbreekt een overkoepelende verhaal. Het Architectuurboek lijkt daardoor een breed uitwaaierend maar wankel manifest dat lijdt aan onduidelijke agendasetting. Een vaststelling die onbedoeld maar treffend gevat werd in het feit dat men bij aanschaf kan kiezen uit vier verschillende covers. De verdienste om los te willen breken uit de geijkte formule van projectcatalogus vraagt om een tweede – zij het zuiverder –  poging. Duidelijk zal moeten worden welk doelpubliek de redactie daarbij voor ogen heeft. De gefragmenteerde vorm belemmert de functie van naslagwerk waardoor de weg naar een breed publiek verloren gaat. De titel ‘Radicale Gemeenplaatsen’ belichaamt het Architectuurboek Vlaanderen anders wel perfect: inhoudelijk omfloerst en zoekend naar zijn pasvorm. Twee jaar extra moet volstaan om een eenduidige positie in te nemen. Als tijdscapsule of denktank.