Recensie —

De geschiedenis van de Westelijke Tuinsteden

Hannah Schubert

Pionieren is een avontuur. Het begrip staat voor onderdeel uitmaken van een voorhoede, de grenzen verleggen, onbekend terrein betreden en een nieuw bestaan opbouwen. Een beetje afzien hoort erbij. Pionieren in het zand klinkt echter behoorlijk schraal– en het is veel mensen die een nieuwbouwwoning kopen niet vreemd. De wegen nog onverhard, het binnengewaaide zand schuurt het pas gelegde laminaat, in de achtertuin buigen de iele boompjes in de wind die vrij spel heeft. Maar: je kent je buren bij naam, pioniers-in-crime, en samen sta je symbool voor de dappere eerste bewoners van een wijk in aanbouw.

Kinderen, zittend op trottoirtegels, bij de bouw van Tuinstad Geuzenveld 1956. Ruys de Beerenbrouckstraat, op de achtergrond nieuwbouw aan de Wigbolt Ripperdastraat. © Collectie De Arbeiderspers, rechthebbende AD
Kinderen, zittend op trottoirtegels, bij de bouw van Tuinstad Geuzenveld 1956. Ruys de Beerenbrouckstraat, op de achtergrond nieuwbouw aan de Wigbolt Ripperdastraat. © Collectie De Arbeiderspers, rechthebbende AD

Dat is nu zo, en dat was vroeger zo. De reeks foto’s die in te tentoonstelling Pionieren in het zand getoond worden roepen precies het beeld op dat de titel aanduidt; het westen van Amsterdam was een kaalgeslagen, zandige vlakte, waar zich een jonge, moderne voorhoede vestigde die in de binnenstad geen woonruimte kon vinden. Volkshuisvesting werd in toenemende mate een overheidstaak. Met een overbevolkte binnenstad werden de randen van de stad opgezocht. De hoofdstad breidde uit; na annexatie van bijna alle randgemeenten in 1921 werd de stad bijna vier keer zo groot.

Het Algemeen Uitbreidingsplan (AUP) van Amsterdam werd in 1934 werd vastgesteld, dat voorzag in uitbreiding richting westen en zuiden van de binnenstad. Cornelis van Eesteren werkte vanaf 1929 bij de Afdeling Stadsontwikkeling van de Dienst Publieke Werken, en werd als stedenbouwkundige en later hoofd van de Dienst gevraagd het project te leiden. Al snel werd Van Eesteren een sleutelfiguur binnen het CIAM en het Nieuwe Bouwen, als voorvechter van het scheiden van functies. Wonen, werken, ontspanning en verkeer werden met chirurgische precisie uit elkaar getrokken in de uitbreidingsplannen, zodat het bekende credo ‘licht, lucht en ruimte’ consequent in de praktijk kon worden gebracht.

Praktisch gezien was het AUP een oplossing voor het grote woningtekort: in vijftien jaar tijd werden meer dan 15:000 woningen gebouwd. In idealistische zin was het echter bovenal een alternatief voor de chaotische, ongeplande en onhygiënische traditionele stad. Wat het AUP uniek maakt was zijn langetermijnvisie en dat het gebaseerd was op wetenschappelijke studies. Er werd gewerkt met planhorizon 2000, en er werden grootschalige ‘surveys’ gehouden, zoals studies naar de bevolkingsgroei (Amsterdam zou tot 2000 groeien tot maximaal 1.083.000 inwoners) en een schatting van de ontwikkeling van industrie, havens en verkeersstromen. De Dienst stond voor haar gevoel voor de taak om de stad in haar eindstadium te ontwerpen: het AUP als stad van de toekomst die de voltooiing zou naderen.

Het normatieve karakter van de ideologische stedenbouw van de Westelijke Tuinsteden is dan ook nog steeds af te lezen. De gestempelde strokenbouw is gunstig op de zon georiënteerd. Lange rijen woningen, met ‘optimale plattegronden’ voor het traditionele gezin, zijn haaks op de brede verkeersaders geplaatst. Privétuinen? Nauwelijks aanwezig. Collectief groen vult de ruimte tussen de stroken. Ontspannen deed je bij de 30 meter diepe Sloterplas, ontstaan toen voor de ophoging van de geannexeerde polders de Sloterdijkermeerpolder tussen 1948 en 1956 werd uitgegraven. Na de Tweede Wereldoorlog verrezen de vijf nieuwe wijken aan de westkant van de stad: Slotermeer (1951-1954), Geuzenveld (1953-1958), Slotervaart (1954-1960), Overtoomse Veld (1958-1963) en Osdorp (1956-1962).

Wie het Van Eesterenmuseum bezoekt krijgt een bescheiden overzicht te zien van Van Eesterens nalatenschap: plannen, foto’s en korte toelichtingen. Het échte museum is echter in de open lucht. De rondleidingen leiden bezoekers één op één langs de stad die Van Eesteren voor ogen had. Net zo fascinerend als het ‘eindbeeld’ is echter het prille begin. Tot november 2012 toont de tentoonstelling Pionieren in het zand verschillende aspecten van de Westelijke Tuinsteden in aanbouw, gevoed met historisch beeldmateriaal van het Stadsarchief Amsterdam.

De tentoonstelling, en ook de achtergrondinformatie bij de foto’s, is bescheiden; een kleine 30 zwart-wit foto’s beslaat nog geen derde van de ruimte. Het materiaal toont het typische beeld van een wijk in aanbouw; grote zandheuvels, straten die worden aangelegd, kinderen die met bouwmateriaal spelen. De straten zijn breed, de luchten zijn hoog. En de afstanden enorm. De pioniers die zich hier vestigden werden geconfronteerd met een nieuw type stad: niets meer om de hoek, aangewezen op gemotoriseerd vervoer. Enkele foto’s tonen de oude polders op de achtergrond, reeds gedeeltelijk opgehoogd met zand. Het is een bekend beeld, maar daar waar het zicht op een vinexwijk in aanbouw vooral treurig stemt, lijkt deze historische reeks foto’s juist het aanwezige optimisme heel goed te vatten, net zoals de mogelijkheden die een nog ongedefinieerde ruimte kan bieden. De foto’s doen beseffen wat de bouw van de Westelijke Tuinsteden moet hebben betekend voor individuen: hier trokken de pas getrouwde stellen naartoe die tot dat moment noodgedwongen bij hun ouders hadden ingewoond. Voor het eerst hadden ze hun eigen paleisje. De huur van een laagbouwwoningen in Osdorp bedroeg in 1960 fl. 70,45 per maand – destijds een hoop geld voor jonge families.

Zestig jaar later (de eerste paal werd in 1951 geslagen) staan de Westelijke Tuinsteden onder druk. De mensen die het konden betalen verhuisden naar grotere woningen met een eigen tuin. Een grotendeels allochtone bevolking bewoont nu de lange rijen sociale huurflats. De brede straten, de gescheiden functies en vooral de overvloed aan publieke ruimte tussen de strokenbouw worden nu als probleem ervaren. Met het verouderen van de woningen en veranderende woonwensen wordt vanaf begin jaren 90 gewerkt aan de herstructurering van het gebied, onder andere door meer differentiatie in woon- en werkmilieus te realiseren. In het uit 2001 stammende Richting ParkStad 2015 zijn in totaal vierentwintig vernieuwingsgebieden aangewezen. De ambitie lag hoog: er zouden ruim 13.000 woningen worden gesloopt, en 24.000 bijgebouwd – waarvan 14.000 in de koopsector.

Nu, ruim tien jaar later, is een aanzienlijk deel van de plannen voltooid of in uitvoering. Een breed scala aan Nederlandse architecten, waaronder MVRDV, Atelier Kempe Thill, Heren 5, FARO, Abbink X De Haas, Wiel Arets en KCAP heeft projecten gebouwd, ieder met een eigen interpretatie van ‘Nieuw West’. Gewild of ongewild, het open karakter van de strokenbouw wordt geleidelijk vervangen door typische (21ste-eeuwse?) eengezinswoningen en gesloten bouwblokken met een intiem karakter. De aanhoudende kritiek vanuit de architectuurhistorische kant wordt in de kaart gespeeld door de huidige economische recessie. De afgelopen twee jaar zijn veel bouwprojecten gestagneerd, wat zorgt voor een herbezinning op de sloopplannen. Er is meer aandacht voor de waarde van het cultureel erfgoed, en meer ruimte voor tijdelijke, kleine initiatieven, die organischer tot stand kunnen komen. Recentelijk zijn de Westelijke Tuinsteden aangewezen als gebied van nationaal belang door de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. Met de Sloterplas als een juweel in het midden.

Het AUP was een poging naar een voltooide stad toe te werken; als er íets is dat de expositie over weet te brengen is het dat een eindbeeld werkelijk niet bestaat. Zelfs in een rigide structuur als de Westelijke tuinsteden is een verfijning en verdichting mogelijk, die tegemoet kan komen aan de rijke schakering van onze huidige samenleving, die destijds niet werd voorzien. En een stagnerende woningbouwproductie – met bijbehorende zandvlakte – biedt ruimte voor het ongeplande. Dat was vroeger zo, en dat is nu zo.