Recensie —

Fundamentele twijfel

Johan de Koning

Vorige week opende de Biënnale van Venetië. Curator David Chipperfield gaf zijn aflevering het thema Common Ground mee. Niet echt een eenvoudige keuze voor het tweejaarlijkse ‘exhibitionistisch ritueel’, aldus Johan de Koning, die voor ArchiNed enkele van zijn favoriete paviljoens bespreekt.

Als David Chipperfield het idee had dat hij de architectuur terug zou kunnen brengen naar de basis, door met zijn thema Common Ground voor de architectuurbiënnale van 2012 een nieuwe, algemeen gedeelde visie te propageren – of op zijn minst een uitdaging daartoe – dan is dat helaas mislukt. Begrijpelijk. Een overtuigd exhibitionistisch ritueel als de biënnale is niet echt een goed moment om zo’n gemeenschappelijk fundament te vestigen. Iedereen spant zich juist tot het uiterste in om iets bijzonders te produceren. Om zich te onderscheiden van de rest. Precies om het eigene en karakteristieke voor het voetlicht van de wereld te brengen. Wat dat betreft is de crisis in de bouw bij lange na niet universeel genoeg. In veel landen is het geen crisis of treft die niet de architectuur. Dus is er ook weinig behoefte tot bezinning op de grondslagen. Voor een geslaagde back-to-basic-beweging bestaat niet overal een vruchtbare voedingsbodem – met of zonder crisis.

Wat ons verschillend maakt is vaak spannender dan wat ons bindt. Somberheid, pessimisme of bezinning blijkt een typisch Europese conditie te zijn, die wellicht beter past bij de minimalistische grondhouding van de curator zelf, dan bij de tweejaarlijkse, door prominenten ondersteunde presentatie van lokale thema’s en praktische oplossingen. In het arsenaal geven internationale teamleiders als Steven Holl, Herzog & De Meuron en Zaha Hadid een indruk van die gespletenheid door vooral hun eigen kunsten te etaleren. Het zijn met name regionale helden als Jo Noero, Peter Märkli en O’Donnell & Tuomey, uit respectievelijk Kaapstad, Zurich en Dublin die het thema serieus namen. Märkli produceert een bijna even rigide stijlbeeld als de curator zelf, terwijl Noero en O‘Donnell en Tuomey moeite doen om een persoonlijke interpretatie van common ground te geven door te reageren op de lokale condities van landschap en sociale omstandigheden. In alle drie de gevallen geven robuuste maquettes een fraai beeld van die pogingen de architectuur weer een onlosmakelijk onderdeel van het alledaagse te maken en zodoende vooral 'common' te zijn.

Veel landen met een eigen paviljoen grijpen daarentegen de gelegenheid aan om het bezoekers naar de zin te maken, door een uitgebreide en traditionele uitstalling van de gebruikelijke architectonische presentatie te vermijden. In plaats daarvan wordt gepoogd met een eenvoudige, soms conceptuele ingreep indruk te maken en de aandacht van de flanerende gasten vast te houden. Voor een evenement als dit lijkt mij dat een even logische als geslaagde poging, die alleen niet door elk land tot een goed einde wordt gebracht. Nederland laat met het bewegende vitrage van Petra Blaisse een zeer goede indruk achter. Stof, beweging, lichttoetreding, afbakening; al die basale begrippen transformeren de ruimte van het paviljoen en verrassen de bezoeker telkenmale. Een eerbetoon aan Chipperfield. Maar onze naastgelegen zuiderburen lieten mij in ieder geval totaal eenzaam en door onbegrip getroffen achter in het midden van de zaal.

In het Ierse paviljoen wordt de titel van de expositie meteen onder vuur genomen, door niet Common Ground, maar Shifting Ground te gebruiken als titel. Ierland mist een eigen paviljoen in de Giardini en presenteert zich daarom noodgedwongen in de veel te warme loodsen van het Arsenale. Ze begrepen dat je bezoekers niet te veel moet vermoeien met eindeloze reeksen maquettes en tekeningen. Architectenbureau Heneghan Peng is herkenbaar aan de precieze interventies die ze plegen. Zoals onlangs nog bij de entree van het Olympisch park in Londen, waar een vrolijk gekleurd tapijt van confetti het publiek begeleidt naar het hoofdstadion. De ruimte is leeg op een groot object in het midden na. Het blijkt een wippende zitbank. Iedereen die even wil uitpuffen op de stoere houten balken, brengt een beweging op gang die ook de overige bezoekers enthousiasmeert. Zeker de kinderen. Door de kegelvormige koppeling van de balken is de beweging niet een-op-een zoals bij een gewone wip. Soms is sprake van een gedempt effect, dan weer wordt de op- of neerwaartse beweging versterkt. Gebruikers zijn hierdoor veel afhankelijker van elkaar. Ook neemt de spanning toe, want je weet nooit precies welke beweging er gaat volgen en hoe heftig die zal zijn. Het exacte detail van de aaneenschakeling van steeds hetzelfde element, bepaalt dus het gebruik en het effect op de ruimte. In alle eenvoud heeft Heneghan Peng zo een zeer dynamisch en consumerend object gemaakt.

In contrast hiermee zijn de wanden behangen met zwarte schema’s op wit papier. Bij nadere bestudering blijkt het een arrangement te zijn van een enorme serie basalten elementen die het bureau gebruikte om het Giant Causeway bezoekerscentrum in Noord Ierland vorm te geven. Dat project werd afgelopen voorjaar opgeleverd en meteen zeer positief ontvangen in de Ierse pers, vanwege die link naar de lokale omstandigheden en geschiedenis. Materiaal keus speelt een grote rol in al hun projecten. Net als getallen, stellen ze zelf. Over dat laatste twijfel ik wel, maar op dit behang is het in ieder geval onontkoombaar. Herhaling, ritme, fluïditeit, het is kennelijk het beeld waarmee de Ieren hier naar buiten willen treden. Misschien wel om het vooroordeel over het Keltische gebied te weerspreken.

Ook de Oost-Europese landen doen hun best te ontkomen aan clichés. Polen presenteert zich daarbij het meest atypisch. Niet in de openingstoespraak overigens, die bol staat van de grootheid van de natie en illustere ondersteuning door de minister van Cultuur. De Poolse organisator heeft zich voor de inrichting van het paviljoen dan ook niet gewend tot de nationale architectenvereniging, maar tot de National Gallery of Art in Warschau. Om binnen te komen moeten we door een geluidsbarrière van twee sopranen heen. En een gordijn, subtieler dan dat in het Nederlandse paviljoen, meer een voile. Van beide kanten worden we luid en op hoge toon toegezongen. Binnen ondergaan we een geluidssensatie van geheel andere orde. Terwijl de zwevende vloer fors scheef gelegd is, klinken er diepe bassen en pompende ritmes uit op, die via de voeten doortrillen in je hele lichaam. Een fysieke sensatie die wellicht verbeterd had kunnen worden door bezoekers hun schoeisel te laten uitdoen. Gelukkig loopt een fors deel van het publiek op luchtige slippers. Op die manier komt de geheime (heilige?) boodschap over het organiseren van de sociale maatschappij, die volgens de uitgereikte brochure overgebracht dient te worden, duidelijk voelbaar tot ons. Aan een zijde van de zaal staat een lichte voorzetwand haaks op de vloer, dus ook scheef in de ruimte. Hier zijn stemmen hoorbaar. Gesprekken. In het Pools veelal. Als je de muur je oor leent, weet je niet wat je hoort. Ook kan je met je handen voelen waar zich het gesprek concentreert. Tastzin en gehoor komen samen. Ze organiseren ons rondom de bron en elkaar. Jammer dat we gezamenlijk niet veel verder komen dat deze beleving van vibratie en melodieus gebrom. Er zijn verder geen aanwijzingen over wat we er van moeten denken of op welke ideeën we ons zouden moeten concentreren. Zeker niks over de ideale samenleving. De ‘muziek’ zelf moet genoeg zijn.

Niet zo minimalistisch als de Polen, maar even belust op effect zijn de Russen. In het paviljoen dat al bijna even bombastisch is als het Poolse zijn op de verdieping alle zalen van onder tot boven bekleed met uit de kluiten gewassen en angstig materiële QR-codes. Iedere bezoeker krijgt een tablet mee en kan door te klikken op een code zien welk megalomaan plan er achter schuil gaat. Mocht de boodschap zijn dat we vandaag de dag door digitalisering geregeerd worden dan is dat enerzijds een enorme open deur en anderzijds – de alledaagse situatie in Rusland in aanmerking nemende – een gotspe. Om dat laatste te benadrukken is de benedenverdieping in een vergelijkbare donkere kamer getransformeerd, waarin slechts een enorme hoeveelheid kleine, verlichte rondjes inzicht geeft in de expositie die erachter hangt: foto’s van zogenaamde naukograds. Meer dan honderd geheime steden, opgetrokken uit typische sovjet blokken, laag en hoog, in een strak geometrisch patroon geordend en bevolkt door verbannen (of gevangen) wetenschappers. Om onderzoek te doen op gebied van ruimtevaart, medische en chemische technologie en ruimtevaart. Weggeborgen voor het publiek. En nu getoond aan een wereldwijd publiek, zestig jaar na dato.

Veel van die plekken bestaan niet meer, zijn gesloopt of omgebouwd tot een ‘gewone’ stad. Onmiddellijk brengt het je tot de gedachte dat het nu niet meer zou kunnen, zulke steden te verbergen. Vanwege de alomtegenwoordigheid van digitale media. Maar tegelijkertijd ook de twijfel eraan. Wie weet wat ze daar tegenwoordige allemaal doen. Weten we dat? Of is er over vijftig jaar weer net zo relevatie als nu? In ieder geval wordt de benauwde wereld van de bovenverdieping in een totaal ander licht gesteld. Of moeten we zeggen, in een totaal nieuwe donkerte? Want de gesuggereerde openheid wordt bijzonder relatief. Je beseft plotseling dat meer dan ooit er iemand, de curator, zorgvuldig geselecteerd heeft en dat we nooit te zien krijgen wat we niet mogen zien. De grootsheid en trots die spreekt uit de overmaatse projecten van alle bekende sterarchitecten maken die selectie niet alleen pretentieus maar zeker zo dubieus. Of ze echt zijn of werkelijk zullen worden uitgevoerd blijft onzeker. Niet meer dan een façade. Verdubbeld door die bedwelmende sphera mundi van zwart witte QR-codes.