Recensie —

1000 jaar Amsterdam

Rob Dettingmeijer

Fred Feddes schreef een boek over de ruimtelijke geschiedenis van de stad Amsterdam. Volgens Rob Dettingmeijer is 1000 jaar Amsterdam niet zozeer een standaardwerk, als wel een ‘monument’ voor de bouwers en stedenbouwers van Amsterdam.

Dit is een ‘onmisbaar en prikkelend standaardwerk’ staat op de flaptekst geschreven. De auteur is in zijn dankwoord ook niet bescheiden als hij schrijft: ‘Ik moest in zekere zin een nieuw populairwetenschappelijk genre uitvinden om een brug te slaan tussen algemene geschiedenis en het vakgebied van de stedenbouw en ruimtelijke ordening.’ In een nieuw genre schetsen is hij zeker geslaagd en veel teksten zijn ook prikkelend, maar een standaardwerk is het niet. Daar is het te fragmentarisch voor en lijken de delen uit de geschiedenis teveel op persoonlijke voorkeuren gebaseerd. Het is ook de vraag of de auteur een standaardwerk wilde maken. De tekst- en beeldverhalen lijken bewust caleidoscopisch gecomponeerd te zijn. Zo begint ieder deel met een afbeelding over twee pagina’s die besproken wordt in een visuele analyse. Vaak functioneert de maker van de afbeelding daarbij als een ‘gids in de tijd’. Vervolgens wordt een gestandaardiseerd vereenvoudigde vogelvlucht met kleuren voor nieuwe en oude bebouwing, water en platteland getoond. Dan zijn er (sub)hoofdstukken met een historisch-geografisch of historisch karakter en twee of drie thematische (sub)hoofdstukken die zich niet strikt aan de periodisering van het grotere geheel houden. Alle teksten worden ook nog afgewisseld met kaders, die voor die periode maar vaak ook voor het huidige stadsbeeld nuttige informatie verschaffen. Tenslotte vormen de bijschriften bij de illustraties op zich weer een klein essay. Naarmate het lezen vordert tekent zich ondanks of juist dankzij deze verscheidenheid een ‘monument’ voor de bouwers en stedenbouwers van Amsterdam af.

Hoe bijzonder is Amsterdam nog? Vrijwel aan het eind van het verhaal worden twee abstracte kaartbeelden vergeleken die beide een streefbeeld voor 2040 tonen. Het eerste betreft de formele nationale visie uit 2008: Amsterdam vormt de kern van de noordvleugel van de Randstad, de Zuidvleugel heeft Rotterdam en Den Haag als kernen. Het tweede beeld toont de Amsterdamse ambitie, waarbij Groot Amsterdam zowel het hele gebied van de historische ‘Stelling van Amsterdam’ als Almere en het Gooi beslaat. Terecht concludeert Feddes dat Amsterdam weer eens zijn eigen plan kiest. Dat kiezen van een eigen plan en het soms erg naar binnen gekeerd zijn, maar vaker nog internationaal maar bijna nooit nationaal gericht zijn, is de constante in dit verhaal van duizend jaar pompen en bouwen.

Dat het verhaal zich maar krap over duizend jaar uitstrekt geeft ook aan hoe jong Amsterdam nog is. Het is niet alleen een jonge en kleine stad, maar ook een zelfbewuste stad. In de zeventiende eeuw voelde het bestuur zich het middelpunt van wereld, zoal niet van het heelal, zoals ze trots lijken te willen aangeven met de wereld- en hemelbollen in hun stadhuis. In het midden van de zeventiende eeuw was daar zelfs wel reden toe, maar dat gevoel is nooit helemaal verdwenen. Ook nu Amsterdam en zelfs de regio een uiterst bescheiden omvang hebben in vergelijking met de echte metropolen van deze wereld blijft de stad velen mateloos fascineren. Die fascinatie betreft zowel de fysieke werkelijkheid als de veronderstelde concentratie van vrijzinnigheid op of over het randje van verdorvenheid als de schoonheid. Velen roemen de planmatigheid van de ontwikkeling van de stedelijke ruimte, maar evenzeer valt het anarchistisch gebruik op. Consensus en werkelijk voltooien van voorgenomen plannen lijkt eerder uitzondering dan regel. Toch wordt de ‘planmatige uitleg van de grachtengordel’ zo geprezen dat het als UNESCO-monument bestempeld is. Het Algemeen Uitbreidingsplan (AUP), dat in 1935 onder leiding van Van Eesteren en van Lohuizen tot stand kwam, ontbreekt in geen handboek voor de stedenbouw en kon een halve eeuw leidend blijven. Pas in de loop van de jaren tachtig is het AUP stap voor stap vervangen. De wijze waarop en de ambities waarmee dit nu gebeurt zijn veel bescheidener dan de ambitie en het grenzeloze vertrouwen in de toekomst dat in de zeventiende en de twintigste eeuw beleden werd.

Het lijkt erop dat Feddes ondanks zeer vele slagen om de arm toch vooral die twee glorierijke momenten van Amsterdam bewondert. Tegelijkertijd wil hij ze relativeren ten opzichte van de andere perioden en onze huidige wat verwarde en niet bepaald optimistische tijd. Dat blijkt ook uit het laatste deel met de titel ‘jullie orde is de onze niet’ en de titel van een (sub)hoofdstuk, ‘twee moderne steden. De strijd om de schaal van de stad.’ Het hoofdstuk begint met een heel persoonlijke analyse van een foto, die drie maanden na de Nieuwmarktrellen van maart 1975 op het kaalgeslagen tracé van de metrolijn genomen is. ‘Het is daarna met Amsterdam niet slechter gegaan,’ besluit Feddes de inleiding om dan te vervolgen met contrasterende visies op de stad van vlak voor dat keerpunt. Die worden verteld in een gefingeerd gesprek tussen twee ambtenaren van openbare werken. Uiteindelijk blijkt volgens Feddes de keuze tussen kleinschalig met aandacht voor historische bebouwing en herstel binnen het bestaande versus grootschalig, eigentijds en expansief, niet nodig. Beide opties kunnen in verschillende gebieden en verschillende tijden aan de orde komen. Wel een heel milde geschiedschrijving als bedacht wordt hoe het in die periode soms letterlijk over leven en dood ging en een machtig planningsapparaat van de staat ten onder ging. De Zuidas luidde die ondergang in, want in eerste instantie tekende de as zich af door kapitaal dat een weg tot winstmaximalisatie zocht, waarbij pas later de planners een verhaal erbij zochten. De tweede grote nieuwe lijn was wel door het bestuur getrokken, maar kwam veel meer fragmentarisch en moeizaam tot stand. De IJ-oevers zijn weliswaar in vrij korte tijd opnieuw tot ontwikkeling gekomen maar zijn nauwelijks te beschrijven als resultaat van een lange termijnvisie.
Planning was vroeger sterk verbonden met demografie. In een mooi kort kadertje over ‘bevolkingsschommeling’ wordt aangegeven hoe wisselend die ontwikkeling van de bewoningsgeschiedenis is verlopen. Samenhangend hiermee is natuurlijk de vraag hoe geïsoleerd je kunt spreken van een Amsterdamse ontwikkeling. Dat is dan ook expliciet het onderwerp van de epiloog en het is begrijpelijk dat de liefhebber van Amsterdam het meest gecharmeerd lijkt van de dominantie van Amsterdam in een enorme stadsregio zonder al te expliciet uit te gaan van een polinucleaire visie die past bij een echte metropool.

Het deel over de planmatige stad, 1900–1970, heeft heel mooi bekende episoden uit de stedenbouwkundige geschiedenis verzameld, maar heeft ook fraaie terzijdes. Bijvoorbeeld de kaart die aantoont dat de gemeente nog ruim tweederde van de grond in bezit heeft in 2004 en dat dit het resultaat is van doelbewuste sociaaldemocratische politiek, die begint met de benoeming van de eerste SDAP-wethouder in 1914. Het laatste (sub)hoofdstukje gaat dan verrassend over ‘het kind in de stad’, dat alleen al door het beeldverhaal een pleidooi is voor meer aandacht. De periode 1850–1900 wordt betiteld als ordeloos, maar tekst en beeld laten juist zien dat grote beslissingen van de overheid over wegen, spoorwegen, waterwegen, de landsverdediging en de chaotische modernisering minstens zoveel de huidige stad gevormd hebben als de jaren van de stedelijke plannen. De periode 1600–1850 heeft nog het meeste nieuw historische onderzoek geabsorbeerd. Het leukste (sub)hoofdstukje is het laatste van dit deel. Het heet Rembrandt kijkt weg en behandelt de al eerder geconstateerde afwezigheid van de nieuwe stad in het oeuvre van Rembrandt. Feddes durft dan de uitspraak aan dat ‘mogelijk Rembrandt van Rijn er zo een’ was die een hekel had aan de ‘schitterende uitbreidingen’ en die mopperde ‘over geldverslindende prestigeprojecten.’ Dit voorbeeld geeft de kracht, de humor maar ook de zwakte aan van zo’n heel persoonlijke soms nogal anachronistische geschiedschrijving.

Geschiedschrijving moet soms wel een persoonlijke invalshoek kiezen om de gelaagdheid van de stad in beeld te kunnen brengen. Naarmate we verder in de tijd terug gaan moeten grotere gaten in onze kennis overbrugd worden. Over de vorm van de stad kan in het begin alleen in heel algemene historisch geografische zin gesproken worden. Weliswaar zijn rond het jaar 1000 al landbouwers en eerder al wel vissers en jagers bezig geweest in wat het grondgebied van Amsterdam is, maar dat landschap lijkt op niets van wat in de verre omgeving van Amsterdam nu te vinden is. Ergens tussen 1200 en 1250 werden de eerste grotere kanalisatiewerkzaamheden en bedijkingen in dit gebied uitgevoerd en komen dan ook de eerste structuren tot stand die tot vandaag vaak herkenbaar blijven. Zo durft zelfs de meest recente artist impression van het begin van de stad niet verder terug te kijken dan rond 1300. Dat beeld wijkt niet ver af van hoe we denken dat de andere Hollandse ‘damsteden’ begonnen zijn. Hoe verschillend zijn de ontwikkelingen daarna gegaan. Hoe abrupt en snel het kan gaan, maar ook hoe hardnekkig de geschiedenis van de lange duur zichtbaar blijft in de stad, toont Feddes overtuigend en aangenaam leesbaar aan.