Recensie —

Studio for Unsolicited Architecture, wat kan de architect?

Elsbeth Ronner

Onlangs werd in het Nederlands Architectuurinstituut het resultaat van de tweede ronde van de Studio for Unsolicited Architecture gepresenteerd. Op één avond werden drie onderzoeksprojecten toegelicht en bevraagd. De projecten hebben gemeenschappelijk dat ze vanuit de architectuur naar een oplossing zoeken voor een maatschappelijke problematiek. De gepresenteerde plannen zijn toekomstgericht, niet alleen wat betreft de voorgestelde opgaven, maar ook aangaande de rol van de architect in deze.

De Studio for Unsolicited Architecture is eind 2010 geïnitieerd door het NAi en het Mondriaan Fonds (toen nog Fonds BKVB) en het ministerie van Infrastructuur en Milieu als vaste partner. Het doel van de Studio is het faciliteren van ontwerpopdrachten zonder duidelijke opdrachtgever teneinde architecten een kans te bieden om een concrete bijdrage te leveren aan sociale vraagstukken. Echter een oplossing alleen is niet genoeg, de teams wordt ook gevraagd met belanghebbenden tot een realisatie-overeenkomst. De inzet van de initiërende partijen is hoog: met dit project willen ze de zoektocht naar de positie van de architect bevragen waarbij ze een sterk accent leggen op de economische meerwaarde van de professie.

De overeenkomstige thematiek van de drie inzendingen voor deze editie van de Studio is het formuleren van antwoorden op toekomstige rampscenario’s: watersnoodrampen die eens in de honderd jaar zullen voorkomen, honderdduizenden meters leegstaand kantooroppervlak die in waarde dalen, een aanstaande energiecrisis, afnemende biodiversiteit en het gevaar van straling rondom  energienetwerken. Inmenging van architectuur zal deze rampen het hoofd bieden, zo denkt men, maar hoe succesvol is de architect in deze rol als redder van de wereld?

Het eerste team dat zijn onderzoek, ontwerp en bid presenteert, bestaat uit Jeroen Atteveld Dingeman Deijs architecten en Karin Christof en draagt de titel Waterbergen. Het project onderzoekt de mogelijkheden van multifunctionele waterberging in stedelijk gebied ter verrijking van de openbare ruimte. Het team presenteert een scala aan ruimtelijke interventies die ingezet kunnen worden als berging bij wateroverlast, zoals een sporthal die kan overlopen bij een teveel aan water. De businesscase richt zich op de Amsterdamse Zuidas waar men, met het oude stad als voorbeeld, de inpassing van water beter zou kunnen inzetten in de inrichting van de buitenruimte. Onderbouwd door financiële rekensommen zou het aantrekkelijk moeten zijn voor de eigenaren in het gebied om hierin te investeren. Het ontwerpteam rekent voor dat het geld niet naar de verzekeraar moet, maar naar een ruimtelijke inpassing. Het bergen van water ten faveure van ruimtelijke kwaliteit is geen vernieuwend plan, het betrekken van eigenaren in de uitvoering daarvan is wel een accentverschuiving. Echter bij een dusdanig grote belegging aan het begin van de looptijd, rijst de vraag of de huidige eigenaren zo ver vooruit kijken om de investering te maken. Tot nu toe lijkt vooral de gemeente geïnteresseerd. Het onderzoek Waterbergen is dan ook vooral gericht op het bekendmaken van de betrokkenen met de problematiek en het aanzetten tot inventieve oplossingen.

Nieuwe Utiliteit (NUT) is de titel van het tweede project dat wordt gepresenteerd naar aanleiding van het onderzoek door ELstudio, René Kuiken Urbanism en De Gezonde Stad. NUT richt zich op de kwestie van het overschot aan kantooroppervlak, met de focus op Amstel III (Amsterdam). Zij zoeken de oplossing in energieproductie, in de breedste zin van het woord, dus inclusief voedselproductie. Uitgangspunt is het slim combineren van functies, waarbij het team een reeks mogelijkheden geeft, zoals het verbouwen van algen gekoppeld aan een kuuroord. Het voorstel van eerste maatregelen, het plaatsen van een zonnedak of windmolens, lijkt echter te generiek en tegelijkertijd te vastomlijnd om de moeilijke opgave te lijf te gaan. Of zoals ontwikkelaar Jan Huijbregts terecht opmerkte na de presentatie: de problemen zijn zo groot, om hier een oplossing voor te bedenken moet stap voor stap worden gewerkt vanuit meerdere invalshoeken. Ook dit project inspireert vooral. Huijbregts: ‘als je blijft dromen, komt het er zeker’.

Plan EEN, het Ecologisch Energie Netwerk, biedt geen ontwerp, maar voorziet in het idee van ruimte voor natuur en recreatie op de niet bebouwbare grond onder hoogspanningsmasten. Dit landsdekkend netwerk zou als vervanger kunnen dienen van de Ecologische Hoofdstructuur die door de politiek is uitgekleed. Het team bestaande uit Lola Landscape Architects, .Fabric en Studio 1:1 pakt het probleem bij de kop met een voorstel voor de aanleg van een park van slechts één kilometer. Aangezien per locatie de belanghebbenden sterk verschillen, richten de ontwerpers zich op de machtigste: TenneT, de netwerkbeheerder. Ze blijken een bedreiging voor de voortgang van het proces voorafgaand aan de totstandkoming van nieuwe netwerken. Toch gaat TenneT kijken naar cases waar partijen bereid zijn de omgeving te verbeteren. Zo sloten TenneT en het ministerie van Economische Zaken, Landbouw & Innovatie op 8 oktober jongstleden een Green Deal waarin de intentie wordt uitgesproken om een pilotproject te realiseren.
Ook bij dit voorstel kan een kanttekening worden geplaatst: vijfenzeventig procent van de kabels hangen boven landbouwgrond. Is EEN dan daadwerkelijk een vervanging van de ecologische hoofdstructuur? Niettemin zal de aanleg van één kilometer de ruimtelijke kwaliteit rondom deze specifieke hoogspanningsmasten verbeteren en als katalysator kunnen dienen.

De gestelde opgaven belichten elk duidelijk de moeilijkheid van de plaatsbepaling van de architect. Met het ontstaan van de crisis en het afnemend aantal traditionele bouwopdrachten, worden de opgaven complexer: het ruimtelijke aandeel in een project is gereduceerd, en dus ontstaat de vraag of de architect zijn werkveld moet verbreden, of dat deze doeltreffender te werk kan gaan in samenwerkingen. De Studio for Unsolicited Architecture stuurt aan op het eerste: het ruimtelijk ontwerp moet worden ondersteund door argumenten vanuit andere vakgebieden, en met name vanuit economische bewijsgronden. Waterbergen richt zich in zijn argumentatie voornamelijk op financieel voordeel, maar hoe doordacht ook, het is de vraag of de cijfers de accountants achter de beleggers kunnen overreden. NUT richt zich hoofdzakelijk op het programma, wat zonder sterke ruimtelijke inpassing weinig verankering krijgt. Afgaande op het resultaat van de verbintenissen die zijn gemaakt, zou gesteld kunnen worden dat EEN het dichtst bij een mogelijke realisatie en dus het succesvolst is. Het team belicht met de opgave een voornamelijk ruimtelijke problematiek, die niet eerder onthult was. Opvallend genoeg is dit het team dat voornamelijk vanuit een ruimtelijke visie werkt, maar presenteert dit, opmerkelijk genoeg, zonder ontwerp. Ruimtelijke vraagstukken blijven zo bezien toch de werkelijke plek voor de architect.

Het is gemakkelijk om de getoonde projecten en de Studio te bekritiseren, als verzachtende omstandigheid kan worden ingebracht dat de onderwerpen en het bid binnen een tijdsbestek van zes maanden ontwikkeld moeten worden. Door dit korte tijdsbestek worden veel kwesties aangekaart, maar kan niet alles in detail uitgewerkt worden. Daarnaast presenteren de projecten niet alleen het onderzoek of een ontwerpaanzet, maar ook de positie van de architect binnen het krachtenveld dat invloed uitoefent op ruimtelijke opgaven. De projecten roepen algemeen geldende vragen op over strategieën, de plek van de architect binnen het proces en de argumentatie, oftewel het gereedschap van de architect. Interessante vragen waar wederom een antwoord op geformuleerd wordt in de derde ronde van de Studio for Unsolicited Architecture die onlangs van start is gegaan.