Feature —

Wat architecten van kunstenaars kunnen leren

Xander Vermeulen Windsant

Het Bosche Architectuur Initiatief organiseerde onlangs een bijeenkomst met de titel Reset Architecture. Als sprekers waren de kunstenaars Marjan Teeuwen en Frank Havermans uitgenodigd. Teeuwen en Havermans maken ‘architectonisch’ werk. De insteek van de bijeenkomst was dat architecten van hen kunnen leren. Maar wat?

Omdat we als architecten in Nederland met andere opgave te maken krijgen, hebben we een andere manier van werken nodig, zo luidt de algemene opvatting. Die ‘nieuwe’ opgaven als herontwikkeling en transformatie,  veronderstellen volgens inleider Theo Matthijsen  een andere houding, zowel met betrekking tot  het proces, als met betrekking tot  het ontwerpen. Het ‘reset-denken’ wordt daarbij voorgesteld als die overkoepelende houding die bij deze nieuwe opgaven hoort: gericht op samenwerking, open en dienstbaar. Niet meer de ‘stoere’ radicale  en conceptuele ingrepen van (star)architects, maar interventies gebaseerd op een zorgvuldige analyse en interpretaties van de bestaande situatie, belanghebbenden en opdrachtgever(s). En vooral met betrekking tot  dat laatste, bij de manier waarop we met die bestaande situaties omgaan en haar interpreteren, zouden we nog wat kunnen leren van Marjan Teeuwen en Frank Havermans.

Of de term ‘Reset’ gelukkig is gekozen, is de vraag.  Wat wordt er nu precies mee bedoeld? Reset associeert men in eerste instantie met iets dat kapot is: een apparaat dat het niet meer doet wordt ‘gereset’ naar de ‘originele’ instellingen, meestal met een onmogelijk terugliggend knopje waar je alleen met een speld op kan drukken. Het suggereert het herstellen van een misgelopen proces door terug te gaan naar de basisinstellingen.
Is reset architecture (als: de architectuur van het resetten) een architectuur die de context/situatie/opgave op een zelfde wijze  herstelt? De opgaven van nu vragen daar helemaal niet om, maar juist eerder om het tegenovergestelde. De ‘originele’ situatie/gebruik is juist niet langer houdbaar, zoals in het geval van leegstand bij kantoren, fabriekscomplexen etc. . Is de naam  daarmee ‘maar’ een sexy anglicisme dat oppervlakkig allitereert met de Engelse woord voor herontwikkeling, re-development, en daarmee relevantie voor de opgaven van nu suggereert? Of heeft de term een hogere ambitie: gaat het misschien om een reset van de architectuur zelf, de manier van werken die nodig is? Dat de nieuwe opgaven inderdaad een andere manier van werken vragen is duidelijk, maar of dit ook een terugkeer is en dan naar wat, zoals reset suggereert, is daarmee nog niet helder gemaakt.

Ondanks dat het dus vooraf niet helemaal duidelijk was hoe de presentaties van Marjan Teeuwen en Frank Havermans geïnterpreteerd moesten worden, was het des te fascinerender om hun werk te zien en hun verhalen  te horen. Voor beiden geldt dat hun architectonische installaties, ruimtevullend en vaak zelfs (zo groot als) een gebouw, een ingrijpende transformatie van de context teweeg brengen. Dit doen ze door de locatie te bewerken en daar heel gericht nieuw materiaal aan toe te voegen. In het project de Verwoeste Huizen van Marjan Teeuwen worden leegstaande te slopen panden tot theatrale stillevens getransformeerd. Door doorbraken te maken en ruimten met elkaar te verbinden en daar vervolgens zorgvuldig gestapelde materiaalmassa’s van veelal sloopmateriaal aan toe te voegen, ontstaan monumentale ruimtelijke structuren. Een rauwe materialiteit wordt daarbij gekoppeld aan een haast minimalistisch abstracte sculpturaliteit. Het grove en krachtige van de doorbraken en de bijna neurotische en precieze opeenstapelingen van op maat gezaagde stroken gipsplaat, deuren en ander afval levert indrukwekkende beelden op. Middels een parallel lopend fotografieproject worden deze ensceneringen nauwgezet gedocumenteerd en bewerkt tot een autonome serie beelden.

De installaties van Frank Havermans zijn meer op zichzelf staande objecten, vaak met een industriële uitstraling, maar altijd zo ontworpen dat ze  een onlosmakelijk onderdeel van de  context zijn. Van een boomhut bij een boerderij in Zeeland tot  de installatie op het dak van een expositieruimte in Hong steeds keren een aantal thema’s terug. De meest dominante  is een soms letterlijke verwijzing naar lokale bouwwijzen, productiemethoden en materiaalgebruik. Zo was het feit dat de expositieruimte in Hong Kong, midden in een wijk lag waar veel staalconstructiebedrijfjes en garages zaten een vanzelfsprekende aanleiding om de installatie in staal te maken, gebruikmakend van golfplaat en staalprofielen die hij aantrof als bouwmateriaal van de ontelbare informele straatwinkeltjes.

De discussie die na de lezingen moest plaats vinden, kwam  niet echt van de grond en  was eigenlijk ook niet nodig. Georganiseerd voor architecten, zelfs bedoeld als ‘peptalk’,  was tijdens de presentaties al direct duidelijk wat beiden gemeenschappelijk hadden en waarin ze zich onderscheiden van architecten. Afgezien van de onderlinge verschillen, deelden ze een vrijheid en openheid in hun benadering van de opgave en context die veel architecten zal laten watertanden. Uit hun manier van werken sprak een groot comfort om een heel ‘subjectieve’ en open ontwerphouding aan te nemen. Waar een architect zou beginnen met (schijn)objectieve analyses en functionele schema’s, en zou verwijzen naar grote historische, economische en/of politieke tendensen (allemaal ‘buiten’ zijn of haar persoonlijke denken), komen de projecten van Teeuwen en Haverman aftastend en onderzoekend tot stand door dingen uit te proberen, modellen te maken en beelden te testen. Zo wordt langzaam naar een object of installatie toe gewerkt. In trendy bewoording: niet top-down maar bottom- up. Natuurlijk is er bij beiden wel een inhoudelijk ‘conceptueel’ kader waaruit ze werken, maar dat kader is, door de projecten heen, op een zelfde manier bottom-up ontstaan. Elk nieuw project bouwt voort op de eerdere projecten. Die continuïteit biedt een formeel en inhoudelijk kader en zorgt er voor dat de ontspannen houding geen vrijblijvend meewaaien wordt met de toevallige omstandigheden of ‘waar de markt om vraagt’. De persoonlijke en eigen interpretatie is een kwetsbaar startpunt voor een project, maar is juist precies de reden waar Teeuwen en Havermans specifiek om worden gevraagd. En met dat gegeven is de vrije en open benadering naar de opgave juist mogelijk.

In het werk van architecten zit natuurlijk ook een grote ‘subjectieve’ en persoonlijke component maar anders dan Teeuwen en Havermans ligt deze vaak niet aan de oppervlakte. Deze is meestal ‘veilig’ weggestopt achter een conceptuele benadering waarin objectieve gegevens als programma, locatie, financiële overwegingen etc een rol spelen. De vraag is of bij de toenemende complexiteit van opgaven zoals het bouwen op binnenstedelijke locaties, het werken met  bestaande gebouwen, werken voor verschillende opdrachtgevers (CPO), maar ook de persoonlijke relatie die in het werken voor particuliere opdrachtgevers een belangrijke rol speelt en veranderende vormen van financiering (crowdsourcing), het nog wel mogelijk is een dergelijk ‘objectief’ concept te formuleren. Het wordt in deze opgaven gewoon te complex om al die invloeden in dat ene alles omvattende concept te bundelen, zonder tot een iconische, mediagenieke versimpeling te vervallen. Daar is soms natuurlijk ook behoefte aan, maar voor bepaalde opgaven kan de houding van Teeuwen en Havermans misschien heel waardevol zijn voor architecten. Het is een kwetsbare houding, maar wel één met de potentie om op een krachtige manier in de complexe context van de nieuwe opgaven te werken. Is dat de reset die de architectuur kan gebruiken? Wie weet.