Feature —

Duurzaamheid en de genius loci

Andrea Prins

In de prachtig verbouwde machinehal op het RDM-terrein te Rotterdam hield Duzan Doepel op 2 oktober zijn inaugurale lezing Creating Comfortable Climatic Cities. De zeer goed bezochte lezing vond plaats in het kader van het symposium The Next Step. Duurzaamheid, zo wordt in de uitnodiging gesteld, is veranderd van een ‘idealistische hobby’ van fanatici in een erkende stroming binnen de ‘architectural service industry’. Architectuur en duurzaamheid gereduceerd tot ‘service’. Met gemengde gevoelens stap ik op de boot naar het RDM-terrein.

In een zijruimte van de grote machinehal dient een kleine tentoonstelling over duurzame huis-concepten als achtergrond voor het onontkoombare netwerken bij koffie en koekje. Ik zie weinig mensen naar de ontwerpen kijken en dat is jammer want hier zijn de eerste concrete ontwerpaanzetten te zien voor prototypen van het Concept House Village. Deze woonhuizen zullen over enkele jaren in het tuindorpje Heijplaat gebouwd en in de praktijk getest worden door onderzoekers én bewoners – een naar mijn weten unieke aanpak. De prototypen zijn ontworpen door studenten, door Gerard Rijnsdorp samen met René Onsia, en door Doepel Strijkers Architecten, het bureau van Duzan Doepel.

Doepel gebruikt zijn lezing om een overzicht te geven van de door zijn bureau ontwikkelde methoden. Het is een pleidooi voor het ontwerpen met de genius loci, waarmee hij niet alleen de plek bedoelt maar vooral de specifieke condities van klimaat en cultuur.
In het eerste deel van zijn lezing over actuele ontwikkelingen snijdt Doepel drie complexe probleemgebieden aan: de klimaatverandering met (in Nederland) de bekende verschijnselen van periodieke water- en hitteoverlast, dreigende sociaaleconomische problemen volgend uit de stijgende kosten voor energieverzorging, en uitputting van grondstoffen. Stelling is dat de Nederlandse bouwwereld, inclusief ontwerpers, nauwelijks antwoorden kent op deze uitdagingen terwijl de problemen architecten voor interessante opgaven stellen.

Het tweede deel van de lezing gaat over het ontwikkelen van gereedschappen voor het ontwerpen van integrale duurzaamheid. Uitgangspunt is de gedachte dat de bestaande certificeringen zoals LEED in de praktijk als hulpmiddel te kort schieten. Doepel introduceert daarom het begrip Parametric Bioclimatic Design waarbij klimaatresponsiviteit, grondstoffenefficiëntie en comfort, de zogenaamde parameters, samensmelten in het ontwerp.
De impact van de complexe parameters op de duurzaamheid kan bij de verschillende ontwerpvarianten getoetst worden met behulp van reeds ontwikkelde intelligente software. Zo worden klimaat en comfort ontwerpinstrumenten ook in het proces tussen architect, constructeur en bouwer. Doepel toont de resultaten van deze methodiek: intrigerende beelden van een niet gerealiseerde tequilafabriek in Mexico en een studie naar een bioklimatisch kantoorgebouw in Nederland. Welke de gekozen ontwerpparameters waren en hoe ze zich verhouden tot het ontstane ontwerp wordt in de korte uitleg echter niet duidelijk.

Omdat ik hier meer over wil weten. spreek ik op een later tijdstip met Duzan Doepel af. Hij licht toe welke parameters bij het ontwerp van de tequilafabriek een rol hebben gespeeld: uitgangspunt is de locale typologie van een haciënda met hof en veranda. De veranda’s rondom de hoven zorgen behalve voor schaduw ook voor een koelende luchtstroom binnen. Dikke muren houden de warmte buiten. Zowel de verschillende hoogtes in het bouwlichaam als ook de afmetingen van de openingen zijn gerelateerd aan de gewenste interactie van de ruimten met de buitenwereld. In de monolithische vorm verbergen zich diverse functies zoals de fabriek en een kapel, maar ook binnen liggende buitenruimten als klimaatbuffers. Als meetbare parameters worden in dit geval onder andere daglichttoetreding binnen (lux), ventilatie (m3/h) en de grootte van openingen (m2) gedefinieerd. Uit het samenspel van de parameters is het ontwerp ontstaan, klimatologisch en sociaal-cultureel ingebed in de lokale context.
Doepel benadrukt dat het ontwerpen met de mechanistisch ogende parameters niet automatisch leidt tot een bepaalde vormentaal. Iedere ontwerper zal tot een eigen ontwerp komen. Dit bijna ambachtelijke aspect van het bewuste ontwerpen met parameters wil hij zijn studenten leren.

Terug naar de lezing. In het laatste deel komt de onderzoeksagenda aan bod: Parametric Bioclimatic Design op stedenbouwkundig en gebouwniveau met de nadruk op interventies in de bestaande stad. Begrippen, concepten en beelden volgen elkaar in hoog tempo op. Naast het ontwikkelen van parametrische en bioklimatische ontwerpinstrumenten onthoud ik vooral de ontwikkeling en realisatie van de prototype-huizen voor het Concept House Village: Biobased Retrofit (energie-neutrale renovatie door gebruik van biobased materialen) en Active ReUse House (energie-plus-huis in combinatie met materiaalhergebruik). Dit alles wordt ontwikkeld in coöperatie met onderzoeksinstellingen, woningbouwcorporaties en commerciële spelers plus de Hogeschool Rotterdam met haar onderwijzende taken.
Het is een ambitieus programma voor de resterende drie jaren, zowel qua thema’s als ook in verband met de afhankelijkheid van de lector bij het samenwerken met zo vele organisaties. Organisaties die – zo stel ik me voor – erg divergerende doelen en agenda’s hebben. Ik ben vooral benieuwd hoe het samenwerken gaat lukken.

Na afloop van de lezing wordt een boekje uitgedeeld, de net gehouden lezing in een uitgebreide versie met veel grafisch en bronmateriaal. De pr-machine loopt alvast geolied. Op zich is het hoopgevend dat duurzaamheid nu langzamerhand mainstream lijkt te worden. Logischerwijze wordt ze daarmee ook onderdeel van de pragmatische aanpak van beleidsmakers, managers en ondernemers, klaarblijkelijk de doelgroep van dit symposium waartoe de meerderheid van de toehoorders lijkt te behoren. Inderdaad: The Next Step. Maar ik blijf een onbehagelijk gevoel houden. In deze zaal mis ik een belangrijk ingrediënt: het aanstekelijke enthousiasme van de al dan niet fanatieke idealisten!