Recensie —

Onvermoede weelde in Rotterdam

Dirk Baalman

Een van de meer bijzondere attracties op de Floriade 2012 was een blote-voeten-pad, dat vooral uit stapstenen bestaat. Zij zijn uitgevoerd in verschillende soorten natuursteen en op verschillende manieren bewerkt: geruwd, gezoet, gepolijst. Het pad vestigt de aandacht op de bijzondere tactiele (zo niet sensuele) eigenschappen van de vele soorten steen. Het is één van de weinige aspecten die helaas niet aan bod komen in een nieuw standaardwerk over natuursteen aan gebouwen: Onvermoede weelde.

Initiator van boekjes over natuursteen aan gebouwen in Nederlandse steden was de geoloog Wim Dubelaar. Al in 1984 maakte hij een ‘geologische stadswandeling’ voor Amsterdam. Dubelaar behandelde de stad als ware die een steengroeve en gaf bij elke toepassing aan om welke natuursteen het gaat, waar die vandaan komt, welke eigenschappen de steen zo geschikt maakt (of juist niet) voor toepassing aan een gebouw en hoe de steen door de steenhouwer is bewerkt. De rijkdom van dit boekwerkje en die van de toepassing van natuursteen in Amsterdam verdiende al lang een betere uitgave. In 2007 volgde een full colour uitgave Utrecht in Steen en nu heeft zelfs Rotterdam de hoofdstad ingehaald.

In deze uitgave is de kern van het werk van geoloog Dubelaar bewaard gebleven, nu toegepast op Rotterdam. Dat is niet direct een stad die je met een verzameling natuursteen associeert. Rotterdamse architectuur is altijd meer de Van Nellefabriek dan het stadhuis van Evers; meer staal, glas en beton dan de ‘marmergroeve’ die dat stadhuis als bijnaam torste. Maar dat blijkt heel anders te liggen. De auteurs geven in woord en (vooral veel) beeld een overzicht van een weelde aan natuursteentoepassingen in deze stad, dat bepaald verrast. Er is zoveel en van zo’n kwaliteit dat je Rotterdam voortaan met andere ogen bekijkt. En het valt op hoe geraffineerd de architecten van de wederopbouw met natuursteen omgingen: in subtiel beeldhouwwerk aan gevels en details (sluitstenen, kozijnomlijstingen), maar ook in interieurs, waarvan de foto’s vaak spectaculair zijn.

Bij het overzicht van natuursteen aan gebouwen hebben de auteurs zich niet tot Rotterdam beperkt. Dat geeft soms de indruk dat een artikel over Nederland is gebruikt voor een boek over Rotterdam, zodat deze stad soms wel erg ver uit beeld raakt. Daar staat tegenover dat de lijstjes met natuursteen-voorkomens in andere plaatsen in het land heel prettig zijn. In cursiefjes en aparte kaders zijn anekdotes of bijzondere thema’s uitgewerkt, zoals de restauratiegeschiedenis van de Laurenskerk, natuursteen in het stadhuis van Evers, of een niet gerealiseerd overwinningsmonument voor WO II. Het informatief gehalte is hoog, de afbeeldingen zijn compleet en smaakmakend. Zij zorgen er ook voor dat het boek niet ontaardt in een opsomming van feitjes.
Voor wat betreft de informatie over natuursteen, de toepassing en de bewerking daarvan herhaalt dit boek dat over Utrecht. Maar er is een belangrijk verschil. ‘Utrecht’ houdt ongeveer op bij de oorlog (passend voor een in belangrijke mate middeleeuwse stad), terwijl dit deel over Rotterdam juist de 20ste eeuw centraal stelt. Werd natuursteen vóór de oorlog vooral in de vorm van massieve blokken toegepast, na 1945 zien we het veelal in platen, als bekleding van wanden en gevels. Je leert dus ook wat over de verankering van gevelplaten. En je ziet veel interieurs, hele fraaie interieurs.

Vragen roept het geheel natuurlijk ook op. Er is aandacht voor de Rotterdamse natuursteenhandelaren, maar waar haalden die hun handel vandaan? Juist in de 20ste eeuw komen Scandinavië en de Amerikaanse continenten als leverancier in beeld; hoe werden die relaties gelegd en onderhouden? En is het logisch dat de natuursteen in Rotterdam vooral per trein werd aangevoerd, terwijl de haven voor zulke loeizware handel juist in deze stad voor de hand zou liggen? En, vooral: waarom willen en wilden we eigenlijk natuursteen? In oudere perioden, zoals het boek over Utrecht behandelt, gaat het bij natuursteen, naar de aard van de tijdsaccenten die daar passen, vooral om beeldhouwwerk. Figuratief werk en bouwkundige details en decoraties kunnen met natuursteen beter gemaakt worden dan met baksteen. En als er een hele gevel van natuursteen te vinden is, dan is dat direct voor adel of kerk. Maar vanaf de negentiende eeuw neemt de verscheidenheid aan materialen en toepassingen enorm toe. Winkels, kantoren en woonhuizen worden ermee opgesierd, maar onduidelijk blijft, of dit te wijten is aan de toegenomen mogelijkheden voor machinale bewerking, of een groeiend aanbod, dan wel dat smaak en mode (de vraag) bepalend waren.

Aan het boek is een essay toegevoegd over natuursteen in de architectuurgeschiedenis van Rotterdam. Daarin wordt hier en daar een voorzichtige poging gedaan iets over de iconografie van natuursteengebruik te zeggen. Maar de tekst scheert er telkens langs. De opvatting over architectuurgeschiedenis is nogal stereotiep: Modern Bouwen (nauwelijks natuursteen) kreeg veel aandacht in de geschiedschrijving van de Nederlandse architectuur, terwijl daarnaast “ook een geheel andere architectuurgeschiedenis kan worden geschreven, gestoeld op materialen en op art deco en traditionalisme” (p. 156). Mij dunkt dat niet stijlgeschiedenis hier een goede ingang is voor een verklaring. Bovendien worden met zo’n uitgangspunt de stereotypen van de stijlgeschiedenis alleen maar gereproduceerd, niet bediscussieerd. Veeleer verdient het de moeite om iets van de motieven van de ontwerpers en opdrachtgevers te onderzoeken die in verschillende toepassingen van natuursteen aan de orde waren. Was er een iconografie? Kwam de rode graniet vooral van pas voor de slagerij en de blauwe larvikiet met mooie glimmertjes juist bij de juwelier? Zoals een beetje graniet, vooral in rustieke bewerking, decennia lang geschikt was om vertrouwen te wekken in het bankwezen (o tempora, o mores!).

Bij alle architecten, ‘traditioneel’ of ‘modern’, is de toepassing van natuursteen afhankelijk van het karakter van de opgave. En allemaal bepalen ze eerst ruimte en structuur en kiezen vervolgens de materialen en details die daaraan bijdragen. Op dit vlak is nog wel het een en ander aan onderzoek te doen, maar dat kan alleen als de vooringenomenheden van de architectuurgeschiedenis als ‘geschiedenis van de bouwstijlen’ worden verlaten.

Jammer is de epiloog. Die plaatst het hele boek in het kader van de monumentenzorg, die bovendien meer als probleem dan als een prettig vak wordt neergezet. Het initiatief dat Dubelaar ooit nam, toont een enorm plezier in de materie en het hele boek laat dat zien, (al kunnen bijdragen over de iconografie en de tactiliteit van natuursteen de vreugde nog verhogen). Dat plezier zou ook passen in de epiloog; daar horen geen monumenten-zorgen die het thema van het boek als een nachtkaars laten doven.