Recensie —

Uitgekiend genereus, de architectuur van Atelier Kempe Thill

Hans Teerds

“Crisis? Welke Crisis?” Dat is ongetwijfeld het eerste wat je denkt als je de onlangs verschenen monografie van het Rotterdamse bureau Atelier Kempe Thill in handen hebt. Een kloek boek – de term is wellicht wat ouderwets, maar geen ander woord omschrijft de monografie het best: harde kaft, 392 pagina’s, formaatje A4 (maar dan bijna in het vierkant), vol prachtige foto’s (en dat in full color), een interview met de architecten André Kempe en Oliver Thill, gevolgd door enkele beschouwingen van de architecten zelf, en van collega’s als Pier Vittorio Aureli, Kersten Geers en Pier Paolo Tamburelli.

In de inleiding schrijven Kempe en Thill dat ze de monografie eigenlijk Ikea Classisme hadden willen noemen, een titel waarin hun streven naar een vorm van vanzelfsprekendheid, zowel uit het perspectief van de burger als dat van het vak van de architectuur naar voren komt. “You cannot invent a new architecture every Monday morning”, citeren ze Mies van der Rohe instemmend. Van die titel hebben ze echter afgezien uit een zekere angst de Ikea-merknaam te gebruiken. In plaats daarvan is de monografie eenvoudigweg als Atelier Kempe Thill verschenen, een titel die wellicht minder spannend maar zeker vanzelfsprekender is: een keuze al even recht-toe-recht-aan als het boek zelf en de daarin gedocumenteerde architectuur.

‘Recht-toe-recht-aan’ moet hier gezien worden als een kwaliteit. Het werk van het atelier staat bekend om de transparante gevels van woningbouwprojecten als de rijwoningen in Roosendaal (2006) en Amsterdam Osdorp (2008), en de appartementengebouwen Hiphouse in Zwolle (2009) en Blok 10 in Den Haag Moerwijk (2012). Kempe en Thill voeden die associatie door in deze monografie geen andere woningbouwprojecten te documenteren dan deze. Het project op IJburg (2008) waarvan de gevel aanzienlijk traditioneler is, ongetwijfeld door de stedenbouwkundige eisen, wordt bijvoorbeeld niet besproken. Het zijn de gevels waarmee zij zich onderscheiden. Ze bevatten veel meer glas en zijn veel transparanter dan Nederlandse architecten durven voor te stellen, zijn ‘on Nederlands’ fijnzinnig gedetailleerd, en uitgevoerd in buitengewoon hoge kwaliteit.

André Kempe en Oliver Thill studeerden samen aan de Technische Universiteit van Dresden en kwamen, na een uitstapje naar Parijs, halverwege de jaren negentig naar Nederland om te werken voor de Architecten Cie., DKV en Karelse van der Meer. Kempe en Thill noemen zichzelf ‘Europese’ architecten, al vanaf het begin omvat de portefeuille ook projecten buiten Nederland waarvan de Franz List Concertzaal in Raiding (Oostenrijk) de bekendste is. Met dank aan Easyjet, erkennen de architecten. Zonder de komst van low-cost carriers zou de Europese oriëntatie niet mogelijk zijn. In het interview van Kaye Geipel zetten Kempe en Thill zich sterk af tegen de Nederlandse (recente) traditie. Ze spreken over de ‘Superdutch hysteria‘ en distantiëren zich van de modieuze en hedonistische architectuur – Kempe is daarover nogal duidelijk: ‘terrible’ en ‘horrible’!  Hun eigen devies: geen ‘interessante’ gebouwen maken, maar domweg ‘goede’ gebouwen. Wel geven wat de klant vraagt, maar de opgave ook subversief lezen, en zeker geen gebruik maken van wat standaard is in de bouw. Het is vervolgens architect en theoreticus Pier Vittorio Aureli die het werk van het bureau raak typeert. Het is, schrijft hij, een zoektocht naar nieuwe monumentaliteit die zich uit in abstractie en volume, en zich afzet tegen “the overload of identity and iconography that has characterized the production of architecture in the recent years.” De omschrijving van het werk wordt in de monografie in het verlengde hiervan verder gedomineerd door frases als ‘specifieke neutraliteit’, ‘eenvoudige maar nobele monumentaliteit’ en ‘protestants’ (of zelfs ‘calvinistisch’ – hoewel men in Oost-Duitsland natuurlijk nooit calvinistisch is geweest).

De architecten benoemen zelf de kwaliteit van het bureau als ‘de ruimtelijkheid van het modernisme gecombineerd met zowel de mogelijkheden van de hedendaagse technologie als ook de beperkingen van vandaag.’ Die beperking waar ze op doelen is ongetwijfeld de huidige financieel economische crisis, die ze overigens meteen als kans omschrijven. Het werk van Atelier Kempe Thill is ‘crisis-proof’, aldus de architecten. En inderdaad, ondanks de crisis lijkt deze architectuur niet aan kwaliteit in te boeten. Kempe en Thill zijn meesters in het omgaan met krimpende budgetten en weten met een recht-toe-recht-aan benadering hoge ruimtelijke, stylistische en detailleringskwaliteit te halen; nog steeds werken ze met reeksen 1:1 mock-ups om de kwaliteit van details te kunnen testen! Ik zou daarom aan de bovenstaande omschrijvingen in de monografie het woord ‘uitgekiend’ willen toevoegen. Daarmee bedoel ik niet een soort uitgekiende en minimalistische zakelijkheid op zich – die zeker kenmerk is van het werk – maar juist dat het bureau een krachtige balans heeft gevonden tussen enerzijds ruimtelijkheid en kwaliteit en anderzijds een zekere ‘bouwefficiëntie’, bouwkosten versus opbrengsten. En het zijn inderdaad de gevels die daar een typerend gevolg van zijn.

De gevels zijn geen doel op zich, hoezeer dit ook voor de hand ligt om te concluderen uit de monografie. Ze vormen de resultante van een zoektocht naar generositeit van de architectuur voor zowel het private interieur als de publieke en collectieve ruimte. De aandacht voor de gevel doet in dit perspectief onwillekeurig denken aan het pleidooi van John Habraken om onderscheid te maken tussen ‘drager’ en ‘inbouw’. Dit onderscheid, te vaak verkeerd geïnterpreteerd als, en beperkt tot, een scheiding tussen een generieke constructie en een specifieke (en tijdelijke) invulling, gaat eigenlijk over het onderscheid tussen verantwoordelijkheden, waarbij de architect verantwoordelijk is voor alle publieke en collectieve aspecten van gebouwen, waaronder zeker ook de gevel. Dat is precies hoe Kempe en Thill hun werk als architecten opvatten, waarbij ze echter niet de kwaliteit van de plattegrond en doorsnede van de individuele woning niet uit het oog verliezen. Die glasgevels, om een voorbeeld te noemen, vormen niet alleen een gewenst stedelijk beeld, maar dragen ook bij aan de ervaring en kwaliteit van het private interieur.
 
Architecten zijn ‘de hoeders van het publieke domein,’ schrijven Kempe en Thill. Met Aureli definiëren ze deze publieke dimensie als de optimale omgang met het publiek (de massa), het optimaal gebruik van daglicht en tenslotte  het geleden en afstemmen van het interieur op dit daglicht. Aureli op zijn beurt baseert zich op een specifieke lezing van het werk van Étienne-Louis Boulleé, en met name zijn Bibliothèque Royale (1785), waarin de afstemming op de massa’s en het gebruik van daglicht als publieke dimensies inderdaad evident zijn. Mij lijkt die interpretatie moeizaam voor woningbouw, maar ik moet Kempe en Thill nageven dat ze inderdaad die aspecten meenemen, ook in hun woningbouw, in een proces van ‘uitkienen’: ze besparen liever op de detaillering van het interieur, dan op de gevel. En liever compacte ruimten en dito geveloppervlak als dat budget vrijspeelt om de kwaliteit van de gevel te verhogen en ruimtelijkheid versterkt kan worden door het maken van vides in zowel het private interieur als de collectieve ruimte. Hoewel met name de collectieve ruimten soms minimaal gedetailleerd kunnen zijn, zoals in het Hiphuis of in het recent opgeleverde Junkiehotel in de Amsterdamse Bijlmermeer, ze blijven altijd ruimtelijk en genereus – kwaliteiten die inderdaad worden bereikt door het gebruik van daglicht, het gevoel voor geleding en een optimale en gedifferentieerde aansluiting op de publieke ruimte.

Het succes van publieke ruimte en collectieve ruimten heeft natuurlijk ook alles te maken met hoe deze ruimten worden toegeëigend door het publiek. De ‘Urban activator’ op het Grotekerkplein in Rotterdam is duidelijk bedoeld om die toe-eigening te laten plaatsvinden, nieuwe gebruiken op te roepen en de voorbijganger uit te dagen. Als podium in de stad werkt het twee zijden op: het maakt zichtbaar wat er op het podium gebeurt, maar het biedt ook overzicht over wat er op het plein gebeurt. De architectuur ondersteunt dat, het gebruikt geen symboliek en zet zichzelf niet op de voorgrond, maar is tegelijkertijd wel monumentaal en uitnodigend. En toch. De foto’s die in het boek bij het project zijn geplaatst zijn prachtig. De architectuur komt schitterend uit. Maar moeten we niet zien hoe het wordt gebruikt? Okay, we zien op twee foto’s het klaarzetten van stoelen voor een festival en een skater aan het werk. Maar de grote foto met het lege terras naast het podium blijft hangen. Perfectie, maar leeg. En dat is helaas ook het beeld dat bij blijft van andere projecten. Prachtige collectieve ruimten, sereen is wel een goede omschrijving, maar hoe hebben de bewoners van de Hiphouse dat opgepakt en toe-geëigend? Geven de bewoners de ruimte kleur en detail? Durven de architecten dat ook over te laten aan de bewoners? Hoezeer ik deze monografie bewonder in zijn robuustheid en de architectuur in haar ‘uitgekiendheid’, het zijn toch deze essentiële vragen die niet beantwoord worden.

En dat is jammer, want juist dergelijke foto’s en analyses hadden deze monografie kunnen laten uitgroeien tot zoveel meer dan een documentatie van het werk van het bureau. Dit boek had een onontkoombaar statement kunnen zijn. Het zijn toch immers de cruciale vragen van de architectuur die gaan over de grenzen van haar vak, waarin het publieke betrokken wordt bij de architectuur zonder het private op te geven (zoals Habraken verdedigt). Zeker in een dergelijk minimalistisch stylisme als waar Atelier Kempe Thill op uitkomt en de opgave(n) waaraan ze werken, zijn dergelijke vragen essentieel. De architectuur is genereus, maar het zijn de mensen die deze architectuur maken. Of breken. Neem nu het detail dat zichtbaar wordt op de foto’s van het recent opgeleverde Blok 10 in Den Haag Moerwijk. De gordijnen zijn mee ontwerpen, en terecht. Maar hoelang hebben de bewoners ook de plicht deze te laten hangen? Gaat die bemoeienis bij het private interieur niet te ver? En wat doet een bont gekleurd Ikeagordijn met de architectuur?