Recensie —

Historische relicten in een ongenadig volgebouwd land

Hans Teerds

Onlangs verscheen Lof der stenen, een essaybundel vol observaties over ruïnes, praalgraven, douanekantoren, kathedralen, gedenknaalden, herenhuizen, forten hijsbalken, polders en paleizen van de schrijver Nicolaas Matsier. Hans Teerds vraagt zich af wat architecten van zijn literaire blik kunnen leren.

Is het toeval dat de architect volop in de belangstelling van de literatuur staat? Arnon Grunberg publiceerde onlangs de roman De man zonder ziekte, Christiaan Weijts zijn boek Euforie, in beide speelt een architect de hoofdrol. En naar verluidt verschijnt binnenkort postuum een boek van Bernlef over Albert Speer, de architect van het nazi-regime in Duitsland. Zou het komen door de crisis, zijn de architect en zijn vak de overtuigende verbeelding – of zondebok, zo u wilt – van dit tijdperk? De architect is in ieder geval een interessant figuur voor schrijvers: zowel met zijn voeten in de modder als met zijn hoofd in boeken en tekeningen, cultureel verantwoord en tegelijkertijd de verleiding van maakbaarheid. Dat zijn mooie thema’s voor literatuur.

Ik weet niet hoe het u vergaat bij de publicatie van zo’n roman, maar ik ben altijd meteen nieuwsgierig: valt er iets te leren uit deze romans, uit deze blik van buiten op wat de architect zoal doet, wat de architectuur vermag? Een literaire blik kan de architect helpen de ruimte – stad, landschap, interieur – te begrijpen als ‘geleefde ruimte’, stelt Klaske Havik in haar dit jaar verdedigde proefschrift Urban Literacy, in navolging van Henri Lefebvre: de ruimte die begrenst en gevormd wordt door de alledaagse handelingen van mensen, een gegeven dat zich moeilijk in een tekening laat vastleggen en daarom (subjectieve) woorden nodig heeft. Voor een verfrissende blik op de omgeving en de impact van de architectuur moeten we echter niet bij romans zijn met een architect in de hoofdrol, stelt de Amerikaanse architectuurjournalist Paul Goldberger in zijn bijdrage aan de onvolprezen website designers&books. Als ontwerper kun je meer leren van impliciete beschrijvingen van ruimte, dan van architectuur als expliciet uitgangspunt of onderwerp van literatuur.

Geldt dat ook voor de non-fictie van romanciers en poëten waarin de ‘architectuur’, de ‘stad’ en het ‘landschap’ centraal staan? Het boze oog van de dichter Gerrit Komrij uit 1983 is van deze categorie de bekendste en wellicht ook de venijnigste. Hoewel zulke essays gemakkelijk de plank misslaan, moeten we ze niet eenvoudigweg terzijde leggen. Integendeel, de schrijver is de spreekbuis van de natie, en dat is precies wat er van zijn pen geleerd kan worden: hoe wordt de architectuur ‘ontvangen’? Wat vindt ‘men’ belangrijk?

De onlangs verschenen bundel Lof der stenen van de schrijver Nicolaas Matsier kan aan dit rijtje non-fictie worden toegevoegd. Het boek omvat een dertigtal korte en lange artikelen die Matsier eerder elders publiceerde. Een dergelijke bundeling heeft vaak iets moeizaams: artikelen zijn niet met elkaar in evenwicht en er sluipen nogal eens herhalingen in. Deze bundel heeft dat op sommige moment ook, het voordeel is echter dat Matsier een vaardige pen heeft en boeiend schrijft. Venijnig is hij bij uitzondering, ironisch regelmatig. Bijna de hele bundel is aan historische bouwwerken gewijd. Matsier schrijft over de Jordaan, waar hij woont (en waar ook zijn roman Gesloten huis over gaat), over het landschap (van zijn tweede huisje in Friesland), over de (geschiedenis van de) Nieuwe Hollandse Waterlinie en de stelling van Amsterdam (waar hij dichtbij opgroeide) en over de Franse kathedralen (die hij ontdekte tijdens fietsvakanties). Het enige hedendaagse gebouw dat Matsier (lovend) bespreekt is het Museum Beelden aan Zee in Scheveningen van Wim Quist: passend beton, betoverende lichtval.

Is met deze historische blik de bundel niet interessant voor architecten van nu? Integendeel, zou ik met Herman Hertzberger zeggen. Hertzberger spoorde onlangs de huidige generatie studenten architectuur van de TU Delft aan het Parthenon te laten voor wat het is, en zich in plaats daarvan te verdiepen in de gotische kathedralen. En hij somde op waarom: vorm en constructie zijn één, gemaakt met eenvoudige middelen, de grote en de ruimtelijkheid van de ruimte, het publieke interieur. Daarom zijn advies: ‘kijk wat meer naar het verleden’. Voor wie Hertzbergers advies wil volgen is Lof der stenen een absolute aanrader. Matsier is geen historicus, en juist daarom lukt het hem, zijn eigen verbazing en nieuwsgierigheid volgend, de lezer met speels gemak mee te nemen in een verkenningstocht naar bekende en alledaagse relicten uit het verleden, waaronder inderdaad ook gotische kathedralen. Vooral zijn intrigerende beschrijving van de Goudse Glazen is het noemen waard. Matsier presenteert het glas in lood als ‘de sublieme grens’: het glas wordt slechts zichtbaar door de lichtval van buiten naar binnen.

Opvallend is het oog voor detail van Matsier. Zo onderzoekt hij ontbrekende huisnummers die hij ‘ware historische relicten’ noemt. Of de geschiedenis van de hijsbalken: zo’n eenvoudig idee, waarom wordt dat nauwelijks buiten Amsterdam toegepast? Scherp is Matsier ook. De Dam komt er niet goed vanaf: ‘Een ongehoord lelijk plein’, terwijl het Paleis op de Dam een fremdkörper is gebleven, ‘het minst geziene gebouw van Nederland.’ En over een douanekantoor uit 1889 van de hand van de architect C.H. Peters in Coevorden: ‘Dat speciale gevoel dat je op veel plekken in dit land krijgt. Namelijk dat een beminnelijk stukje geschiedenis totaal verdwaald is geraakt in het moderne genadeloos volgebouwde Nederland. Dat het bij toeval en per ongeluk niet is gesloopt.’ Juist bij dit gebouw had ik het gevoel even een beeld nodig te hebben (de bundel bevat uiteraard alleen tekst, geen enkele afbeelding) en daarom zocht ik het adres dat Matsier noemt, Esschenbruggerdijk 2, op met Google Maps. Dat bleek midden op een woonwagenkamp te zijn. Het juiste adres moet Eendrachtsstraat 8 zijn – voor wie na lezing (nog) zin heeft om Coevorden te gaan bezoeken.

Hoewel Matsier zich concentreert op historische bouwwerken en artefacten, pleit hij niet voor behoud en restauratie. Integendeel, hij ziet ze als documenten van de voorbijgaande tijd – het verleden wordt zichtbaar in het bouwwerk zelf. Fascinerend vond ik de passage waarin Matsier een tekst van zichzelf citeert uit 1974: ‘Op de Rozengracht wipten we even de voormalige R.K. kerk De Zaaier in, zonder twijfel de lelijkste kerk van Amsterdam. … de zaak is er niet beter op geworden nu over de hele gevel van de kerk reclame wordt gemaakt voor kamerbreed tapijt van De Nederlandse Tapijt Centrale. … Binnentredend treffen ons een scherpe geur van kunsthars en een flink volume popmuziek. … Nou ja, er gebeurt tenminste iets. Weliswaar wijst het gebouw niet meer omhoog, en richt het onze gedachten op onze voeten, maar het ruikt er en het klinkt er, al gaat het dan niet meer om wierook en gregoriaans.’ Anno 2012 ziet het er echter weer anders uit: ‘Die tapijthandel is er al lang weer uit. In een dialectische beweging (these, antithese, synthese) heeft het gebouw sindsdien wederom een religieuze bestemming gekregen, terwijl de vloer zoals het in een moskee betaamt rijkelijk belegd is met tapijten.’ Met eenvoudige middelen maakt Matsier hier, maar ook elders in de bundel, duidelijk dat elke restauratie en renovatie gestoeld is op arbitraire keuzes, die gevoed worden door de eigentijdse context. De poging enige jaren geleden de gedempte grachten in de Jordaan weer open te graven is daar een voorbeeld van: het idee werd vooral omarmt door de ‘import’. De oorspronkelijke Jordanezen associeerden de grachten met de situatie van voor de huidige welvaart. ‘Rijkdom,’ stelt Matsier elders in de bundel, ‘schrijft geschiedenis, armoede laat geen sporen na.’ Om er even later aan toe te voegen: ‘Gerestaureerde armoede is een onoplosbare paradox.’

Als interventies in bestaande gebouwen de belangrijkste opdracht wordt voor architecten (na de crisis), dan is dit de belangrijkste boodschap van Lof der stenen. De tijd zelf is de reden waarom restaureren per definitie een onmogelijke opgave is: een gebouw (of landschap) kan geen ‘recht’ gedaan worden, tenzij je een gebouw (of landschap) niet ziet als geschied-document, noch als gebruiksobject, maar als geïsoleerd (kunst)voorwerp.