Recensie —

L’Italia di Le Corbusier

Matteo Kuijpers

Het Italië van Le Corbusier (1887-1965) als thema voor een tentoonstelling lijkt wellicht voor velen vergezocht; hij heeft immers nooit iets in Italië gebouwd. Toch blijkt het meer dan genoeg materiaal op te leveren voor een interessante en bij vlagen saillante tentoonstelling. L’Italia di Le Corbusier is een tip voor wie de komende feestdagen in Rome is.

Met meer dan zeshonderd schetsen, aquareltekeningen, foto’s, brieven, maquettes en tekeningen op wanden van houten steigerplanken wordt de relatie tussen Le Corbusier en Italië in chronologische volgorde getoond. Het verhaal begint met de verschillende studiereizen die Le Corbusier tussen 1907 en 1922 naar Italië maakte. Tijdens deze reizen bezocht hij steden als Pisa, Florence, Sienna, Bologna, Verona, Venetië, Rome en Pompeii; er zijn weinig hoogtepunten in de  Italiaanse architectuurgeschiedenis die hij niet heeft bezocht.
Uit de vele mooie schetsen blijkt dat hij als twintigjarige zorgvuldig de esthetiek van de gevels, ornamenten en fresco’s documenteerde. In 1915 onderzocht hij in de traditie van Camillo Sitte uitgebreid de historische openbare ruimten en met name de omsloten pleinen. Sitte onderzocht in Der Städtebau nach seinen künstlerischen Grundsätzen (1889) uitvoerig de compositorische regels die ten grondslag lagen aan een groot aantal stedelijke ruimten die in de middeleeuwen, renaissance en barok zijn ontstaan. Uit de schetsen die Le Corbusier van bijvoorbeeld het San Marcoplein in Venetië maakte, blijkt een overeenkomstige interesse.

Na de schetsen en aquareltekeningen waarin de liefde van Le Corbusier voor de historische Italiaanse binnensteden nog evident lijkt, wordt direct zijn eigen stedenbouwkundige werk Ville Radieuse (1924) getoond. Colin Rowe wees in College City (1978) al op het grote verschil tussen Ville Radieuse en Italiaanse historische binnensteden. Juist de kenmerken die Le Corbusier in Italië heeft onderzocht: de omsloten openbare ruimten waar mensen samenkomen en waar de bebouwing de openbare ruimte oplaadt, zijn in Ville Radieuse volkomen afwezig. Het na elkaar tonen van beide laat dit radicale verschil genadeloos zien. Naar de achtergrond van de ommezwaai bij Le Corbusier moet de bezoeker in deze tentoonstelling echter gissen.  
Naast het beeld van Le Corbusier als radicale architect, toont de tentoonstelling hem ook als opportunistische entrepreneur. Rem Koolhaas liet dit beeld van Le Corbusier al eerder zien in Delirious New York (1978). Hierin beschreef hij de pogingen van Le Corbusier om zijn Ville Radieuse na de afwijzing in Parijs te slijten aan andere steden als Barcelona, Algiers, Rio de Janeiro en Buenos Aires: ‘like a furious prince dragging a colossal glass slipper on an odyssey from Metropolis to Metropolis’. De tentoonstelling vergroot dit beeld van Le Corbusier als opportunist door in te gaan op zijn aanbieding van Ville Radieuse aan het fascistische regime van Benito Mussolini. Op een muur wordt in het groot een fragment van een lange brief uit 1934 aan Mussolini getoond waarin Le Corbusier het fascistische regime onder andere prijst voor hun steun aan het jonge Italiaanse rationalisme. Le Corbusier stuurde Mussolini bij de brief het tweede volume van zijn Oeuvre Complete in de hoop een opdracht te bemachtigen.

De brief aan Mussolini is één van de voorbeelden waarmee de tentoonstelling laat zien hoe graag Le Corbusier in Italië wilde bouwen, maar daar uiteindelijk niet in slaagde. Dit beeld wordt versterkt door de acquisitiereizen die hij maakte naar invloedrijke Italiaanse bedrijven als Fiat en Olivetti. De tentoonstelling toont glamourfoto’s  van Le Corbusier in onder andere een open sportwagen op het dak van Lingotto in Turijn en op een glanzende houten boot in de grachten van Venetië omringt door mannen in maatpak compleet met zonnebril en snor. Le Corbusier slaagde er uiteindelijk in de jaren zestig van de vorige eeuw in om meerdere opdrachten in Italië te verwerven. Op de tentoonstelling wordt onder andere het opmerkelijke ontwerp voor een ziekenhuis in Venetië uit 1964 met grote tekeningen en maquettes uitgebreid getoond. Door de dood van Le Corbusier in 1965 zijn uiteindelijk geen van deze opdrachten gerealiseerd.

L’Italia di Le Corbusier schetst een paradoxaal beeld van Le Corbusier: als gepassioneerd onderzoeker van het historische Italië én als radicaal die hetzelfde historische Italië afwees. Bovendien wordt Le Corbusier in de tentoonstelling neergezet als één van de grootste architecten van de twintigste eeuw en tegelijkertijd als opportunistische entrepreneur die het fascistische Italië niet schuwde in zijn zoektocht naar een opdracht. De overvloed aan materiaal waarmee deze twee beelden worden getoond, maken de tentoonstelling een bezoek meer dan waard.