Feature —

Ruimtevolk Expeditie 2012: op weg naar de toekomst

Xander Vermeulen Windsant

Al vijf jaar publiceert Ruimtevolk op haar website artikelen en blogs van, zoals ze dat zelf noemen, ‘gedreven professionals’. De ambitie is groot: anders dan sommigen stellen – zeker sinds de crisis – is de ruimtelijke ontwikkeling volgens de Ruimtevolkers nog lang niet dood. Ze moet alleen wel anders worden aangepakt, radicaal anders zelfs. Maar hoe?

Op 30 november organiseerde Ruimtevolk ter markering van hun vijfjarige bestaan een volle dag, die tegelijkertijd de eerste fysieke manifestatie van het tot dan toe alleen virtuele platform was. Met de uitgave van het eerste Ruimtevolk Jaarboek was duidelijk dat het platform ‘volwassen’ wil worden. Die volwassenheid bleek ook uit de dag. Want na vijf jaar is het ‘hoe’ niet meer een ‘kinderlijke’ open vraag, die nog op allerlei manieren beantwoord kan gaan worden. Met de inleidende lezingen van socioloog Willem Schinkel en ondernemer Ronald van den Hoff, de parallelsessies, de uitsmijters van hoogleraar transitiekunde Jan Rotmans (Erasmus Universiteit Rotterdam) en blogger Venhoop nam Ruimtevolk op volwassen wijze stelling en probeerde daarmee een antwoord te formuleren op de door haarzelf opgeworpen vraag. Dat het congres een expeditie werd genoemd was kenmerkend: niet alleen de bestemming, maar juist de weg er naartoe is belangrijk. En die weg bleek nog lang niet af.

De bestemming die aan de horizon gloort is een nieuwe ruimtelijke ordening die bottom-up gedreven wordt door collectieve waardeontwikkeling, waarbij ‘waarde’ meer dan alleen financieel gedefinieerd moet worden. Juist sociaal-maatschappelijke waarde zal een belangrijke nieuwe impuls vormen en een langer termijnperspectief vereisen: duurzaamheid is er daardoor haast automatisch een integraal onderdeel van. Deze ruimtelijke ontwikkeling maakt omgevingen die maximale ontmoeting organiseren en daarmee (onverwachte) kennisuitwisseling en creativiteit – de hoekstenen van de nieuwe, postindustriële economie – mogelijk maakt. Dat vraagt om ondernemende burgers die actief in (lokale) netwerken wonen en werken, mogelijk gemaakt door digitale netwerken en nieuwe financieringsvormen.

Het optimisme dat door het hele programma ademde was aanstekelijk. En hoewel er driftig met alle ‘hippe’ woorden van nu werd gestrooid, was van vrijblijvende mooipraterij geen sprake. Er werd een toekomst geschetst waarin op een nieuwe manier (oude) idealen gerealiseerd konden worden: ontwikkelen gericht op de menselijke maat, sociale betrokkenheid, met ruimte voor individuele ontplooiing. Niet zoals in de vorige eeuw met een enorme institutionele machine die dat ‘voor’ de burgers doet, maar door de burgers zelf. Verschillende sprekers lieten hier door de dag heen voorbeelden van zien die nu al (succesvol) werken.

Dat dit de toekomst is, is voor de initiatiefnemers van Ruimtevolk zoals gezegd geen vraag meer. De hele dag droeg een duidelijk geloof in deze nieuwe, aanstaande realiteit uit. En ik ben – en was al – een gelovige, moet ik toegeven. Zoals Venhoop aan het einde van de dag in zijn gesproken column mooi stelde: we zitten in een “verrekt interessant niemandsland” waarin de ‘oude’ ruimtelijke ontwikkeling niet meer werkt, maar een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling nog geen vorm heeft gekregen. Dat we ons daarbij niet moeten blindstaren op de crisis bleek uit het polemische betoog van Jan Rotmans. Wat we volgens hem nu zien is een fundamentele systeemverandering die ook al voor de crisis speelde. Volgens Jan Rotmans is deze systeemverandering de eerste wezenlijke verandering in ruim honderd jaar en ook niet vandaag of morgen voltooid. We zitten op z’n best halverwege, versneld door de crisis, en hebben nog makkelijk twintig jaar voor de boeg. De voorlaatste systeemverandering, door Rotmans het modernisme genoemd, heeft ons in de ruimtelijke ordening o.a. de woningwet gegeven. Wat de systeemverandering van nu gaat opleveren zullen we terugkijkend misschien pas over vijftig jaar weten, aldus Rotmans.

De systeemverandering van Rotmans doet daarmee denken aan het begrip paradigm shift dat in 1962 door wetenschapsfilosoof Thomas Kuhn werd geponeerd. In een dergelijke paradigm shift veranderen de basale uitgangspunten waar de wetenschap mee werkt zodanig, dat deze ontwikkeling wezenlijk verder gaat dan een zoveelste ‘doorwerking’ op basis van bestaande ideeën. De relativiteitstheorie van Einstein zorgde in de natuurkunde voor een dergelijke omwenteling. Oude begrippen verliezen dan hun bestaande betekenis of krijgen een radicaal nieuwe. Dat zoiets nu in de ruimtelijke ordening aan de gang is bleek tijdens de discussies in de parallelsessies, die het middendeel van het programma vormden. Er bleek namelijk vaak een vreemd soort ‘spraakverwarring’ te ontstaan, die mooi illustreerde hoe ‘nieuwe’ waarden lastig te bespreken zijn met ‘oude’ begrippen.

Dit werd bijvoorbeeld zichtbaar in een bij herhaling terugkerende kanttekening die bij de optimistische toekomstbeelden werd geplaatst. Is er in deze ‘brave new world’ namelijk ook plaats voor hen die niet tot de groep van hoogopgeleide, met laptop uitgeruste, twitterende en facebookende (stads)bewoners horen? Wat als je niet mee kunt of wilt in de wervelwind van sociale media, of geen zin hebt om samen met je buurman de buurt te onderhouden? Hoe houden we de stad dan nog ‘rechtvaardig’; de vage term die in het programma werd gebruikt om dit probleem aan te kaarten. In de discussie bleek direct dat de ‘oude’ socio-economische, op inkomen gebaseerde categorieën, waarop bijvoorbeeld het huidige woningbeleid is gestoeld, dan niet meer werken. Voor de armlastige ondernemer die wel zijn weg weet in de moderne netwerkstad, is de ‘nieuwe’ stad een heel andere stad dan de net zo armlastige senior die deze slag heeft gemist. Is het ‘rechtvaardig’ dat de armlastige ondernemer via zijn netwerk wel snel een geschikte woning vindt, waar hij binnen een collectief conciërgewerk doet in de gemeenschappelijke tuin als tegemoetkoming voor de lagere huur die hij betaalt? En dat de net zo armlastige senior maar een woning ergens heeft te accepteren tussen buren die hem niet kennen? Hoe regel je dat? Wat is in dit geval het relevante criterium om onderscheid te maken tussen de have’s en de have-not’s? En zo zijn er nog talloze vragen. Elke poging om op deze vragen een ‘nieuw’ antwoord te formuleren leidde tot een verwarrende discussie waar men dan ook niet uit kwam.

Socioloog Willem Schinkel ontleedde in zijn inleiding de naam ‘Ruimtevolk’ als de letterlijke verbinding van ruimte en volk. Dat het ‘volk’ een diffuse, zich steeds opnieuw manifesterend en ook politiek gegeven is, bleek duidelijk uit het programma: het nieuwe volk is een heel ander volk dan dat van een eeuw geleden. Maar over de ruimte leek het gek genoeg minder te gaan. Natuurlijk werd gesproken over hoe de gemeente zichzelf opnieuw zou moeten uitvinden om deze nieuwe ruimtelijke ordening te faciliteren, het liefst door zo min mogelijk vast te leggen. Maar de vraag of de nieuwe ruimtelijke ontwikkeling niet ook tot een nieuwe formele ruimtelijke verschijningsvorm van de architectuur en stedenbouw zou moeten/kunnen leiden werd niet gesteld: de nieuwe processen bleven – letterlijk – ‘vormeloos’. De vraag hoe de onvermijdbare fysieke en gebouwde ‘uitingen’ van deze nieuwe ruimtelijke ontwikkeling er uit zullen zien schitterde door afwezigheid. En dat terwijl Jan Rotmans’ karakterisering van de sociaal-maatschappelijke systeemverandering van een eeuw geleden als ‘modernisme’ natuurlijk een prikkelende parallel heeft in een (met dezelfde naam gekenmerkte) enorme architectonische en stedenbouwkundige vernieuwing uit die tijd. Zou het kunnen dat we ook nú in een formele verandering van de architectuur en stedenbouw zitten? Dat zou een spannend, maar nog onbenoemd gegeven zijn.

Conclusie na een drukke en enthousiasmerende dag? We zijn onderweg, maar de bestemming ligt nog achter de horizon.