Opinie —

De elementaire deeltjes

Eireen Schreurs en Lara Schrijver

Rem Koolhaas wordt de curator van de architectuurbiënnale van Venetië 2014, met als werktitel: ‘the fundamental elements of architecture’, in zijn eigen woorden: “to see if we can discover anything new about architecture”. Er wordt al druk gespeculeerd over wat dit betekent. The Guardian van 8 januari jl. meent dat de biënnale ongetwijfeld weer “a heterogeneous cocktail, reflecting the voracious and promiscuous appetite of Koolhaas’ practice” zal worden.

Tentoonstelling Harvard/OMA The elements of architecture in De Dépendance, Rotterdam
Tentoonstelling Harvard/OMA The elements of architecture in De Dépendance, Rotterdam

Een hint werd afgelopen november al gegeven in een debat en kleine tentoonstelling in De Dépendance, Rotterdam, ter gelegenheid van de midterm presentatie van de Harvard GSD studio geleid door Koolhaas en Stephan Trüby – de Harvard GSD studio had tijdelijk bij OMA Rotterdam onderdak gekregen. Het thema luidde: ‘de onveranderlijke elementen van architectuur’.
Nu is dat een onderwerp dat ons na aan het hart ligt. In Delft, waar wij beiden lesgeven, lijkt er voor ‘de onveranderlijke elementen van architectuur’, alle inspanningen ten spijt, maar weinig plek in het huidige curriculum. Elementen zijn ouderwets, integratie is het toverwoord. Eenmaal in de masters aangekomen, kunnen de studenten wel een managersspel spelen en een milieuvriendelijk ‘huis van de democratie’ maken, maar de richting van de trappijl zit er niet in, laat staan kennis en begrip van de ‘onveranderlijke elementen van architectuur’.

Vanuit professionele interesse naar de onderwijspraktijken van Koolhaas liepen wij een half uur rond, speculerend over de leerdoelen, en, uiteraard, ‘to see if we can discover anything new about architecture’. De ruimte was verdeeld over de verschillende elementen: de gang (een installatie ter breedte van… een gang), de gevel (een mock-up vliesgevel), het raam (een serie kozijndetails refererend aan de beroemde typologische reeksen van Durand), het toilet (een aantal hangende toiletpotten), het dak (een collectie keramische dakpannen), en dan zo verder nog het balkon, de vloer, de haard, de deur, de tussenmuur, het plafond en de trap.

Naast elke thema hing een tussenrapport, met daarin een aantal studies van studenten naar ieder element. Deze kleine boekjes (met titels zoals The Facade: Rise and fall of the curtain wall of The Balcony: One to many) boden een historisch-culturele duiding van ieder bouwelement, een soort Harvard Guide to… (shopping, city, architectural elements). Leuke weetjes zijn hierin afgewisseld met speculatieve analyses en maatschappelijk culturele duidingen. Maar waarom wel de trap en niet de lift, wel de gang maar niet de kamer?

Dit was natuurlijk pas de midterm-presentatie, maar de kleine selectie van bouwmateriaal bood ons geen aanknopingspunten. De kozijnen die er uitgestald stonden, ontstijgen het niveau van de bouwbeurs niet. De op zich mooie reeks getekende kozijndetails ernaast lijkt te suggereren dat hier een bepaalde ordening wordt voorgesteld – maar de selectiecriteria ontbreken. Zijn dit overgebleven monsters van recente projecten van OMA? De willekeur lijkt niet te rijmen met de aanpak waar OMA beroemd mee is geworden – een kritische selectie van elementen, een zorgvuldige afweging tussen kant-en-klaar en bijzonder, en vooral het onconventionele gebruik van het standaardelement (ondersteboven, binnenstebuiten, met een ander kleurtje of juist uit elkaar geschroefd). Hoewel de aankondiging in de studiegids van Harvard refereert aan een poging “to reassess the repertoire and the tools available to architects everywhere”, lijkt in deze tentoonstelling de vakkennis vooralsnog te zitten in een gedegen kennis van de onveranderlijke standaardproducten. Een Bauhaus-achtige productontwikkeling, belangrijk onderdeel van de eigen praktijk van OMA, is niet terug te vinden.

De boekjes bevatten een mooie verzameling historische schetsen, typologische studies en culturele anekdotes. De tentoonstelling zet daarmee aan tot een herwaardering van architectuur als vakgebied. Want als er iemand is die op cultureel, technisch, ruimtelijk en historisch vlak iets kan zeggen over deze elementen, zou het de architect moeten zijn. Voor deze inspanning niets anders dan lof. Koolhaas sluit hiermee ook aan op een lange traditie van aan de architectuurpraktijk verbonden (vorm)theorieën uit de negentiende eeuw, van Durand tot Viollet-le-Duc, van Ruskin tot Semper. Maar de diepgang van het negentiende-eeuwse traktaat bereikt hij (nog?) niet.

Als het alleen om agenderen gaat, dan is hij een beetje laat. De waarde van vakkennis kwam de laatste jaren al ruimschoots aan bod in het architectuurdebat, zelfs voordat Richard Sennett het onderwerp behandelde in zijn boek The Craftsman (2008). Ook is Koolhaas niet de eerste om de elementaire deeltjes met onderwijs te onderzoeken. Zo gaven Jan de Vylder en Jo Tailleu op de TU vorig jaar al een atelier, waarin een herinterpretatie van de elementen van de architectuur centraal stond. En ook: de bijgeleverde boekjes van de studenten liggen wel heel dicht bij de ‘Schwellenatlas’, een nummer van Arch+ uit 2009, waarin Laurent Stalder (inmiddels hoogleraar architectuurtheorie aan de ETH Zürich) een reeks ateliers over drempels, deuren en liften samenbracht tot een bronnenboek van architectonische elementen – cultureel geduid en wel. Ook in de stedenbouw is al een serieuze blik gericht op de elementaire deeltjes, in de vorm van de Grand Urban Rules van Alex Lehnerer (die overigens deze studie naar stedenbouwkundige regels deed bij Kees Christiaanse, een van Koolhaas’ eerste medewerkers).

Zou een kennis van de basiselementen de basis vormen voor een herovering van de autoriteit van de architect? In het licht van het huidige bouwproces, is dit een boeiende suggestie. In toenemende mate is het bouwen namelijk in handen van aannemers, grafisch ontwerpers en interieurstylisten. In een recente lezing merkte Koolhaas op dat hij jaloers was op een architect uit de jaren 50 die er blindelings op kon vertrouwen dat zijn gebouw werd gerealiseerd volgens zijn tekeningen. Nu is het werk van de architect vaak ondergeschikt aan procesmanagement.

In het Engels refereert het woord ‘elements’ ook aan het periodiek systeem in de scheikunde. In de logica van het periodiek systeem ontstaat het nieuwe uit de reacties van de verschillende elementaire deeltjes. Zo zou de vakkennis dan bestaan uit een grondig begrip van de deeltjes, en een kritische verhouding daartoe. Daarmee sluit Koolhaas aan bij een werk als Constructing Architecture van Andrea Deplazes. Ook in dit boek is de vraag naar vakkennis verbonden met een onderwijspraktijk: naast een bouwdocumentatie, is het ook een stellingname over wat een student zou moeten leren. Waar het boek van Deplazes zich echter richt op het ambacht en sterk lokale bouwpraktijken, zet de studio van Koolhaas in op de geglobaliseerde architectuurpraktijk. Als Koolhaas een periodiek systeem voor ogen staat – dat dus aangevuld en vervolledigd wordt – zou het in ieder geval gaan om sterk ontwerpgerichte kennis. “To see if we can learn something new about architecture” is dan een aanbeveling voor de TU. Het leren over architectuur vraagt niet om een brede opleiding met integratie van vele vakgebieden, maar juist om concentratie op de fundamentele kennis van de eigen (ontwerp)discipline.

Het wachten is nu op de Biënnale 2014.