Recensie —

Een ‘wake-up call’ voor architectuurhistorici?

Ed Taverne

Joris Molenaar doet al vele jaren onderzoek naar het werk van Brinkman & Van der Vlugt en restaureerde ook een aantal van hun gebouwen. Onlangs verscheen van zijn hand het overzichtswerk Brinkman & Van der Vlugt Architecten. Rotterdams City-Ideaal in International Style. Ed Taverne over de (eenzijdige) aandacht voor het maken van gebouwen.

Ik ken weinig architectenmonografieën die openen met de dood van een architect. Joris Molenaar laat in de eerste regels van zijn monografie over Brinkman & Van der Vlugt Architecten, Michiel Brinkman in 1925 op straat aan een hartstilstand sterven, een dramatische gebeurtenis die de toon lijkt te zetten voor een detectiveachtige speurtocht naar intriges rond een befaamd Nederlands architectenbureau. Maar wie op zoek is naar ‘suspense’, spanning of emoties, komt bedrogen uit: de hoofdpersonages van Molenaars overzichtswerk Brinkman & Van der Vlugt Architecten Rotterdams City-Ideaal in International Style zijn niet architecten maar gebouwen. Weliswaar wordt Leen van der Vlugt – de opvolger van Michiel Brinkman – vanaf hoofdstuk 2 op vrijwel iedere bladzijde genoemd, maar uiteindelijk komt de lezer over hem weinig (nieuws) te weten, waarschijnlijk omdat er niet veel over hem te vertellen valt. Anders dan zijn collega’s en geestverwanten als J.J.P. Oud, J.B. van Loghem, J.Duiker en vooral J.H. van den Broek en W. van Tijen, heeft Van der Vlugt nauwelijks iets van betekenis geschreven en wat we over hem weten, kennen we vooral uit de tweede hand. Zelfs zijn faam als (mede) ontwerper van de Van Nelle fabriek wordt overschaduwd door het verlicht opdrachtgeverschap van Kees van der Leeuw. Het is dus niet zo gek dat Molenaar koos voor een dubbele opzet waarbij de uitgevoerde en nog bestaande gebouwen centraal staan en deze hoofdstuksgewijs worden gerangschikt in zeven thematische velden. De verbindende schakel daarbij is de bijdrage die de architectenfirma Brinkman & Van der Vlugt met hun werk en gedachtegoed heeft geleverd aan ‘een modern City-ideaal’, in het bijzonder dat van Rotterdam.

Die opzet is geslaagd, het boek documenteert niet alleen op indrukwekkende en zorgvuldige wijze de ontwerp- en bouwproductie van het bureau,  maar probeert dit ook zichtbaar en toegankelijk te maken, waarbij auteur, vormgever en uitgever vrijwel alles uit de kast halen. Zo articuleert het uit het bouwhistorisch onderzoek ontdekte kleurgebruik de kleurstellingen van de afzonderlijke thematische velden, waardoor iets van de psychologische effecten van de in de gebouwen toegepaste kleurcodes ook op de lezer wordt overgedragen. Maar het verlangen om de architectuur van Brinkman & Van der Vlugt zo levendig en concreet mogelijk voor te stellen overtuigt het meest in de schikking van het fotografisch beeldmateriaal waarmee de twintig ‘kerngebouwen’ worden geïllustreerd. Geen enkele lezer zal het evidente contrast kunnen ontgaan tussen de monochrome, veelal wat saai-deftige, historische foto’s met weinig figuranten èn de vaak vanuit een zelfde hoek genomen, recente opnames van Jannes Linders die veel meer onderzoekend en nieuwsgierig van karakter zijn en waar altijd wel iets meer te zien en te beleven valt dan alleen architectuur. Het is jammer dat Molenaar, die toch als onderzoeker en (restauratie) architect vertrouwd is met de problematische kanten van dit soort moderne monumenten, deze actualiteit niet heeft aangegrepen om een afzonderlijk hoofdstuk te wijden aan methoden, aanpak en uitkomsten van restauratie en herstel van dergelijke monumenten, en aan de wetenschappelijke strijdvragen daarover. Ook rept hij geen woord over de problemen van behoud, bescherming, hergebruik en functieverandering van modern erfgoed. Een gemiste kans, gelet op de felheid waarmee op dit moment voor- en tegenstanders van de nieuwbouw van de Rotterdamse Kuip elkaar te lijf gaan.

De Sterkamp Ommen en de hut voor Krishnamurti. Foto: archief Broekbakema. Post-, telefoon- en telegraafkantoor Sterkamp Ommen 1927-1928.
De Sterkamp Ommen en de hut voor Krishnamurti. Foto: archief Broekbakema. Post-, telefoon- en telegraafkantoor Sterkamp Ommen 1927-1928.

De overdaad aan technische documentatie en geraffineerde visualisatie verhult niet dat er vanuit architectuurhistorisch perspectief aan dit overzichtswerk weinig nieuws valt te beleven. Tenzij we de publicatie moeten opvatten als een vorm van architectuurgeschiedschrijving die nadrukkelijk vorm- en objectgericht is, en geen boodschap heeft aan kritische, historische analyses waarin gebouwen niet enkel worden gedocumenteerd en/of gecontextualiseerd, maar ook geïnterpreteerd. In dat geval zijn de voor een architectuurhistoricus evidente missers, omissies en slordigheden in dit boek opeens geen teken van zwakte meer maar eerder een statement en een pleidooi voor een onbevangen, niet door historiografie en theorie bevlekte omgang met gebouwen. Dat dit de bedoeling is blijkt uit het gebrek aan kritische distantie jegens de architecten en hun werk waardoor Molenaar als historicus stellingen betrekt die vanaf het begin van de jaren zeventig – toen Pieter Singelenberg als eerste in Nederland met een grondige, architectuurhistorische studie over Berlage (1971) kwam – definitief leken te zijn verlaten.

Brinkman & Van der Vlugt Architecten lijkt een ‘wake-up call’ voor in methoden, theorieën en geschiedenissen verstrikte historici die het zicht op hun eigenlijke onderwerp – het maken van gebouwen – dreigen te verliezen. Dat dit (ook) echt de intentie is van de publicatie, leid ik af uit manier waarop dit monumentale overzichtswerk van een van de toonaangevende Nederlandse architectenbureaus is opgebouwd. Het boek opent, zoals gezegd, met de dood van Brinkman en niet met een voorwoord of inleiding waarin aanpak en werkwijze – laat staan de geschiedenis van de bestudering tot nu toe – worden toegelicht. Geen woord over de geruchtmakende controverses over de beeldvorming rond dit fameuze bureau – over de erfopvolging en bloedlijnen zoals Vanstiphout het zo plastisch uitdrukt in zijn dissertatie Maak een stad – en de vele kolonisatiepogingen van onder andere Bakema en Salomons in de jaren zeventig. Een omissie die Molenaar later bij verschillende projectdocumentatie en toeschrijvingen er ook toe weerhoudt om met precieze – dat wil zeggen  archivalisch ondersteunende – feiten te komen over het ontwerpproces van zulke ‘discutabele’ gebouwen als de Bergpolderflat. Ook vindt men nergens een overtuigende verantwoording van het alles overkoepelend thema van het boek: het ‘Rotterdams City-ideaal in International Style’ als programmatisch engagement achter alle grote publieke opdrachten van het bureau: van fabrieksgebouw, sociale huisvesting tot aan voetbalstadion. Wat bedoelt Molenaar precies met ‘City-ideaal’? Ik kom niet verder dan een stadsbeeld met modern ogende gebouwen. Het is een concept dat lijkt ter zijn afgeleid uit de boeken van G.J. Wattjes, hoogleraar Bouwkunde in Delft en auteur van een serie populaire platenboeken over internationale architectuur: van Scandinavië tot aan Zuid-Amerika. Zijn boek over Rotterdam dateert uit 1940 en is naar tekst en beeld vooral een geografische invulling van de internationale moderne architectuur. Uiteindelijk blijkt het overkoepelende thema vooral een retorisch begrip dat Molenaar mixt met een snufje CIAM en Opbouw. ‘City-ideaal in International Style’ is hierdoor een wat gekunstelde en weinig historische visie die voorbij gaat aan de locale, specifiek Rotterdamse variant van het modernisme waar de afgelopen decennia veel onderzoek is naar is gedaan, door bijvoorbeeld Rob Dettingmeijer (planologie 1988), Cor Wagenaar (politiek 1992) en vooral Noor Mens (stedenbouw 2007). Dankzij hun onderzoek beschikken we over een veel realistischer beeld van het architectonisch en stedenbouwkundig modernisme in Rotterdam, een beeld dat is ingebed in de toenmalige, locale politieke verhoudingen, ambtelijke organisaties en sociaal-culturele initiatieven. De ontwikkeling van nieuwe bebouwingsvormen speelt zich toch niet af in het luchtledige? En toch ook niet alleen op het niveau van de vorm of het beeld, maar ook op de grond waar gebouw en stad elkaar letterlijk raken? Wat een dergelijke, typologisch-morfologische analyse kan opleveren heeft Henk Engel laten zien in zijn grondige analyse van het door Oud ontworpen prijsvraagontwerp voor een nieuw Beursgebouw aan de Coolsingel, een gebouw dat radicaler dan ieder ander ontwerp voor de toenmalige binnenstad door invoeging, plattegrond en constructiewijze een ‘levend deel van het stadsbedrijf’ probeerde te zijn.

Van Nelle’s fabrieksgebouwen Rotterdam Overschie. Foto: archief Broekbakema. Tabaksfabriek in gebruik met vrij uitzicht voor de arbeiders. De plantenbakken, elektrische aandrijving en kettingconveyers zijn met doken en rails bevestigd aan het gladde beton.
Van Nelle’s fabrieksgebouwen Rotterdam Overschie. Foto: archief Broekbakema. Tabaksfabriek in gebruik met vrij uitzicht voor de arbeiders. De plantenbakken, elektrische aandrijving en kettingconveyers zijn met doken en rails bevestigd aan het gladde beton.

De nonchalance, ja het dedain waarmee Molenaar omgaat met de inzichten uit recent architectuurhistorisch onderzoek, keert zich uiteindelijk ook tegen hemzelf als chroniqueur van Brinkman & Van der Vlugt Architecten. Eerder kwamen de verhitte discussies over de ‘successierechten’ van het bureau in de jaren zeventig en tachtig aan de orde. In 1993 deed Gerrit Oorthuys daar nog een schepje bovenop door de ‘affaire Mart Stam’ in een interview – afgenomen door nota bene Molenaar zelf – nog eens fijntjes uit de doeken te doen. In zijn grote overzichtswerk rept Molenaar daar nauwelijks over en mist daarmee de gelegenheid om hybride praktijken op gebied van de bedrijfsvoering van een groot architectenbureau en van het (gedwongen) ontwerpen in collectief verband te problematiseren. Een voorbeeld is het gemak waarmee Molenaar het beroemde Vroezenlaanproject (Rotterdam) van Van den Broek uit 1931-1934 reduceert tot een adoptie van eerder door Van Tijen in samenwerking met Brinkman en Van der Vlugt gemaakte verkavelingen voor Blijdorp-Noord. Maar zo eenvoudig ligt het niet. Rudy Stroink (1981) en vooral Wouter Vanstiphout (2005) – die door Molenaar overigens buiten deze discussie worden gehouden – hebben laten zien dat ook Van den Broek al vanaf 1929 intensief experimenteerde met het half-open bouwblok. Het gaat er niet om wie nu de eerste of de beste was, maar wel om de vaststelling dat Blijdorp in die jaren door de activiteiten van de woningdienst, bouwverenigingen, aannemers en architecten, een waar laboratorium van woonmogelijkheden was. Waar constructieve en typologische oplossingen over en weer werden ‘geleend’ en benut, en waardoor het Vroezenlaanblok veeleer is te beschouwen als de culminatie van een gezamenlijk architectonisch project.

Brinkman & Van der Vlugt Architecten geeft, samenvattend, een schitterend visueel beeld van de ontwerpen en gebouwen van een van de meest spraakmakende Nederlandse architectenfirma’s ten tijde van het interbellum. Een beeld dat aan zeggingskracht zou hebben gewonnen als Molenaar niet alleen meer aandacht had besteed aan de werkwijze van de ontwerpers maar ook aan het werk van historici die zich daar de afgelopen decennia intensief mee hebben bezig gehouden.