Recensie —

Placebo Architectuur

Birgitte Louise Hansen

Eind vorig jaar vonden in het Nederlandse Architectuurinstituut een aantal bijeenkomsten plaats over thema architectuur en gezondheid, waaronder een avond over placebo architectuur. De hoofdattractie van die avond was Charles Jencks; wereldberoemd architectuurcriticus, auteur van talloze architectuurboeken en sinds 1996 bezig met het ontwikkelen van Maggie’s Centers: bezoekerscenters voor kankerpatiënten en hun familieleden waarvan er inmiddels achttien van zijn gebouwd.

De titel van de debatavond 'placebo architectuur' is een verwijzing naar een lezing en artikel van Charles Jencks uit 2004. Maar Jencks gaf deze avond geen lezing. In plaats daarvan was er een interview. Dit bleek meer een appetizer dan een maaltijd. Voor wie meer wilde weten was er de mogelijkheid om na afloop een (gesigneerd) boek van Jencks te kopen waarin hij zijn visie op architectuur en die als opdrachtgever van de Maggie Centres uiteen zet.
Het idee van architectuur als placebo en de consequenties hiervan op de beroepspraktijk werd tijdens de avond zelf niet duidelijk. Wat wilde het NAi eigenlijk met dit thema ter discussie stellen?

De avond werd, zoals de andere avonden in het Fit-lezingreeks, ingeleid door Ole Bouman. En net zoals die eerdere avonden agendeerde hij 'het nut' van de architectuur. Volgens Bouman gaat het erom dat architectuur een bijdrage moet leveren aan het maatschappij. Dit klinkt bekend. Wij leven in een samenleving waar 'kwaliteitscontrole' van steeds groter belang wordt en dit is bij uitstek in de zorg het geval. Het is niet genoeg om architectuur te maken. Nee, architecten moeten kunnen bewijzen dat de architectuur nut heeft. Maar over welke nut hebben we het dan, nut voor wie? Voor de projectontwikkelaar, voor een bepaalde politiek agenda, voor het bedrijfsleven, voor de toekomstige bewoners, voor de wijk, voor de stad? Wie bepaalt wat nuttig is en wat niet?

Jencks is een man met een missie. 'Empower the patient' zoals hij het zelf verwoordde. Deze missie komt voort uit zijn persoonlijk verhaal. Zijn inmiddels aan kanker overleden vrouw Maggi bedacht aan het eind van haar leven samen met Jencks het concept van de Maggie's Centers. Het was een reactie op hun ervaringen met de zorgwereld en dan met name met de tekortkomingen daarin. Het doel van de Centres is om kankerpatienten een meer stimulerende ziekenhuisomgeving te bieden dan die waar ze zelf in terecht kwamen.
De avond liet zien dat het nut, het performatieve aspect van de Maggie's Centers, in eerste instantie niet zo zeer in de architectuur ligt maar in het feit dat de Centers er zijn, en dat er zorgvuldig over hun programma nagedacht wordt. Dat de Maggie's Centers ontworpen zijn door architecten als Frank Gehry, Richard Rogers, Zaha Hadid helpt wel bij de fondsenwerving, maar meer heeft Jencks op deze avond niet te vertellen over zijn architectonische keuzepalet, behalve dat de centra allemaal verschillend moeten zijn en ontworpen door de 'best practice architects'.
Jencks legt de nadruk op de organisatie; wat de gebouwen moeten kunnen bieden. Het leven is complex en tegenstrijdig, zegt Jencks, in zorggebouwen moet hier ruimte voor zijn. De Maggie's Centers zijn anti-institutionele gebouwen, een soort clubs met informele ruimtes waarin mensen uitgenodigd worden om hun eigen plek in te nemen, of dat nu in de keuken is (een soort koffiecorner), of in de tai chi ruimte, de meditatieruimte, de huiskamer, de tuin etc. De Maggie's Centers zijn programmatisch gezien 'hybrid buildings' en breken met het traditionele ziekenhuismilieu. Hoewel je tegenwoordig ook in grote ziekenhuizen als het Erasmus MC lounges ziet verschijnen, zijn dit maar kleine aanpassingen van een groot klinisch geheel. De Maggie's Centers zijn dan ook te beschouwen als voorbeelden van hoe een ziekenhuisopgave op een andere manier benaderd zou kunnen worden.

Na het gesprek van Tracey Metz met Jencks laat architect Ellen van Loon (OMA) hun ontwerp voor het Maggie's Centre in Glasgow zien. Ook al is het een heel mooi gebouw, het was interessanter geweest als Van Loon meer over de overwegingen achter het ontwerp had verteld. Of betekende haar opmerking dat OMA intuïtief werkt dat die overwegingen niet zijn geformuleerd?
In contrast hiermee begon de volgende spreker Tanja Volmer (Kopvol) haar lezing met hun bedrijfsmotto; 'we do not guess but try to bring evidence into the design process'. Dit was wellicht de meest kritische opmerking van de avond en als de gespreksleider het had opgepikt, had het een interessante discussie kunnen worden. Er zit namelijk een fundamenteel verschil tussen de ontwerphouding van OMA en die van Kopvol; moeten architecten met bewijsvoering werken – en wat voor bewijs dan – en hoe wordt dit vertaald naar ontwerpparameters? De discussie waarmee Kopvol kwam werd niet verder gebracht. Einde verhaal. Jammer.

Maakt het voor het 'placebo effect' bijvoorbeeld uit of de centra gemaakt zijn door sterarchitecten? Moet je een architectuurliefhebber zijn om de Maggie's Centres te waarderen? Het was ook interessant geweest om te horen of de centra voor iedereen toegankelijk zijn. Wordt het vergoed door de zorgverzekeraar of moet je het bezoek uit eigen zak betalen? Misschien waren mensen te veel onder de indruk van de serieusheid van het onderwerp, of van de aanwezigheid van  Jencks. Het was dan ook meer een informatieve avond over Maggie's Centers en daardoor wat misleidend voor die mensen in het publiek die voor het placebo-verhaal gekomen waren.
Mogelijk is Jencks iets te persoonlijk betrokken bij de ontwikkeling van de Maggie Centers om een kritisch debat hierover te kunnen voeren. Je krijgt de indruk dat de ontwerpers van de Maggie's Centers zijn vrienden zijn en dat ze aan zijn keukentafel aan de ontwerpen zitten te werken.

Uit de existentiële crisis van Maggie werden de Maggie's Centers geboren. Dat is een mooi voorbeeld van hoe ziek zijn niet alleen een ingrijpende persoonlijke gebeurtenis is, maar ook een gelegenheid kan zijn om in contact te komen met wat zinvol is. Voor Maggie betekende dit in actie komen. Zij wilde iets maken: een visie ontwikkelen, bouwen, een bijdrage leveren aan de maatschappij. Hierin ligt het antwoord op de oproep van Ole Bouman. Architectuur moet zijn betekenis vinden als sociaal culturele manifestatie; van hoe mensen denken en waarmee zij zich verbinden in hun leven. Zonder mensen – zonder verhalen – betekent architectuur uiteindelijk niks. 'Placebo is a phoney cure that works', zei Jencks. De waarde van architectuur wordt gecreëerd in de beleving.