Recensie —

‘A place where one delights to loiter’

Hans Teerds

Bij Trancity*Valiz verscheen onlangs het boek Binnen in de stad, over het ontwerp en het gebruik van publieke interieurs geschreven door Matthijs de Boer. Hans Teerds las het en vraagt zich af of het beoordelen en ontwerpen van een goed publiek interieur meer is dan een kwestie van gevoel…

Grand Central Station, New York (afbeelding uit het besproken boek)
Grand Central Station, New York (afbeelding uit het besproken boek)

Honderd jaar geleden, op 2 februari 1913, opende Manhattans Grand Central Station voor het eerst officieel zijn deuren. Het station was een initiatief van een hoofdingenieur van de spoorwegen, William J. Wilgus, die in 1902 na een fataal ongeluk op het chaotische toenmalige hoofdstation, het lumineuze idee kreeg dat een station zoveel meer kon zijn dan een opstapplaats voor reizigers en overslagplaats voor goederen. Hij wist zijn bazen en de politiek te overtuigen tot de sloop van een bestaand – ook niet onaardig – stationsgebouw, inclusief omliggende panden en spoorwegtracks, om op die plaats vervolgens een majestueuze ruimte terug te bouwen – met treinperrons onder de grond en op verschillende verdiepingen. Tegelijkertijd dwong Wilgus overigens af dat de spoorwegen overstapten van stoom en diesel op elektriciteit. Voor het station is inderdaad geen betere typering dan majestueus te geven. Het ontwerp van Warren&Wetmore was in alle opzichten een poging het de passagiers en bezoekers naar de zin te maken. Voor vrouwen was er een aparte wachtruimte met eiken vloeren en betimmering, een aparte schoenpoetsruimte (uit het zicht), een kleedruimte waar de dienstboden klaar stonden, en een kapper. De heren konden zelfs een private ruimte huren om geschoren te worden. In een brochure roemde de spoorwegmaatschappij het station als ‘a place where one delights to loiter, admiring its beauty and symmetrical lines – a poem in stone.’ Dat sloeg blijkbaar aan, want op de dag van de opening kwamen er al 150.000 mensen door de stationsdeuren binnen.

Grand Central Station is ongeveer het voorbeeldmodel van een publiek stedelijk interieur zoals stedenbouwkundige Matthijs de Boer dat ontvouwt in zijn recente onderzoek naar de verschijningsvorm en betekenis van dergelijke ruimten, onlangs gepubliceerd als Binnen in de stad. Hoewel ‘model’? Dat ligt iets complexer: de conclusie uit het onderzoek is – uiteraard – dat er geen enkelvoudig model voor publieke interieurs bestaat, noch een succesformule. Dat euvel wordt meteen duidelijk bij de omschrijving van wat tot het publieke interieur behoort. ‘Iedereen weet het, maar niemand geeft hetzelfde antwoord,’ aldus De Boer. Hij benadrukt dat de term een paradox bevat, die meteen ook de essentie van het begrip vormt: het midden tussen openbaar en privé, tussen vrij toegankelijk en selectie aan de poort. Uit de voorbeelden die De Boer opvoert ontvouwt zich een nogal breed begrip. Van de Haagse Passage tot de Parijse Magasins, van stations tot bibliotheken, van postkantoren (helaas tegenwoordig afgestoten, maar het proces van transformatie biedt weer een kans) tot stadhuizen, van kerken tot bazaars en markthallen, van winkels (alleen welke wel, welke niet?) tot theaters. De Boer rekent zelfs pleinen, of specifieker gezegd, karakteristieke pittoreske mediterrane achteraf pleintjes, tot het stedelijk interieur. En geef hem eens ongelijk: soms voelt een plein immers inderdaad als een interieur. Dat geeft precies het ongemak van de onmogelijkheid van een definitie weer: het wordt een kwestie van gevoel.

Pagina's uit het besproken boek.
Pagina’s uit het besproken boek.

Dit spanningsveld wordt ook niet opgelost door de negen casussen die De Boer uitgebreid documenteert. Elke casus bestaat uit een interview met een betrokkene, een omschrijving en kritiek en een aantal analyserende tekeningen, stedelijke nollikaarten op verschillende schaalniveaus en doorsneden. De keuze varieert van het Amsterdams Begijnhof tot het toekomstige Forum van Rem Koolhaas in Rotterdam, via het Stadsarchief in Amsterdam (de verbouwing van De Bazel door Claus en Kaan) en het Haagse stadhuis van Richard Meier. Van deze selectie is vooral die laatste overtuigend een stedelijk interieur – het laatste echt genereuze publieke interieur in Nederland, noemt De Boer het.

De selectie is duidelijk niet bedoeld om enkel goede voorbeelden te geven noch discussie overbodig te maken. Hoewel De Boer bijvoorbeeld vrij positief is over De Bazel, vind ik dat gebouw nu juist discutabel als publiek interieur. Hoewel het een prachtig atrium heeft dat vrij toegankelijk is, is het niet echt een ruimte waar je zomaar even langs wipt of ‘toevallig’ doorheen loopt, zoals bijvoorbeeld door een passage, waar je – met Walter Benjamin – domweg kunt flaneren. Je komt er teveel echt een gebouw binnen: door de deuren heen, een trap op, dan pas ben je in de publieke ruimte. En je moet dezelfde uitgang weer uit om te vertrekken. Het is teveel een bestemming, te weinig een stedelijke ruimte. ‘A place where one delights to loiter’ is het niet, hoe mooi het ook is. Daarvoor moet er sprake zijn van een komen en gaan van mensen met verschillende doelen en bestemmingen. Daar heb je het weer: dat zegt mijn intuïtie.

De Boer trekt een aantal conclusies over een succesvol publiek interieur: het moet genereus zijn, goed verankerd in het stedelijk (wandel) netwerk, goed toegankelijk zijn via liefst meerdere toegangen (ook al is het vaak een private ruimte), en het moet er goed verzorgd zijn (in principe schoner en veiliger dan in de openbare ruimte zelf), het moet er licht zijn (liefst daglicht), de grenzen moeten helder zijn, het gebruik (liefst meerdere functies) informeel. Deze conclusies hebben hetzelfde euvel als het publieke interieur zelf: het is nauwelijks vast te leggen wat de echt onderscheidende kwaliteiten zijn, noch welke instrumenten gebruikt kunnen worden om dergelijke ruimten succesvol te laten zijn. Veel is afhankelijk van de context – van looproutes en omliggende functies, om maar iets te noemen. Wat goed is valt niet te vatten in formules en is lastig buiten het bereik van het intuïtieve domein te trekken. Het is, met andere woorden, geen wiskunde waarmee we succesvolle ruimten kunnen maken of kunnen karakteriseren. Dat is inherent, denk ik, aan elke stedelijke ruimte: die is niet enkel zwart, wit, openbaar of privaat, maar bestaat uit tal van overgangsruimten en tussengebieden: tussen het private, het publieke, het collectieve, tussen binnen en buiten. Het publieke interieur speelt zich precies af in dit overgangsdomein. Dat is ook wat De Boer benadrukt. Het wordt pas spannend in het spanningsveld tussen publiek en privé, stelt hij meermalen.

Veel van deze stedelijke interieurs zijn privaat bezit. De Haagse Passage, bijvoorbeeld: in bezit van Fortis. Stationshallen: in bezit van de Nederlandse Spoorwegen. Voor de uitbaters van dergelijke ruimtes is Binnen in de stad een uitermate leerzaam en inspirerend boek. Publieke interieurs lijken tegenwoordig in de gevarenzone te zitten, door toegangscontrole, selectie van het publiek, het afsluiten van de ruimte of het opvullen met commerciële functie, winkels en horeca. Maar na jaren van pessimisme over deze bedreigingen voor de openbaarheid van de stedelijke ruimte, lijkt er een nieuwe toekomst voor de stad aangebroken. De onderzoeksjournalist Alan Ehrenhalt wijst er in zijn boek The Great Inversion op dat er in Amerika nu een omgekeerde ontwikkeling plaatsvindt: mensen trekken uit de suburbane gebieden terug naar de binnensteden, en dat komt niet alleen door de crisis en het duurder worden van het autorijden. Richard Florida lijkt gelijk te krijgen: De binnensteden herontdekken de vitaliteit van diversiteit en openbaarheid als bron van creativiteit. Steden hebben aantrekkingskracht, maar die kracht moet wel waargemaakt worden, in de alledaagse stedelijke ruimte, daar waar men elkaar kan ontmoeten.

Dat is ook waar De Boer aanhaakt met zijn publieke interieurs – en wat het voor uitbaters en stadsontwikkelaars zowel uitdagend als veelbelovend maakt. Welke ruimte heeft een stad te bieden, welke ruimtelijke diversiteit, welke sfeer? Dat bepaalt de aantrekkingskracht van de publieke ruimte: ‘A place where one delights to loiter.’ Met hun unieke, paradoxale vorm van tussenruimte is het publieke interieur een uitermate sterk concept om in te zetten bij stedelijke en architectonische (her)ontwikkeling.