Feature —

Bouwen in Vietnam

Joep Janssen

In 2001 werd de afkorting BRIC gelanceerd, vier jaar later had Goldman Sachs het over de Next Eleven, landen die, samen met de BRIC-landen, de potentie hebben zich te ontwikkelen tot wereldeconomieën. Economische ontwikkelingen en urbanisatie gaan hand in hand gaan. Architecten en stedenbouwkundigen werkzaam of afkomstig uit een van de N-11 landen zullen de komende maanden berichten over hun ervaringen. Joep Janssen woont sinds 2009 in Ho Chi Minhstad (Vietnam) en werkt op een Vietnamees architectenbureau.

In de vier jaar dat ik hier woon is de stad sterk veranderd. In 2009 werd de skyline nog bepaald door een paar internationale hotels en nu wordt het gedomineerd door luxe woon- en kantoortorens, waarvan de Financial Tower boven alles uit piekt. Er zijn shopping malls gekomen (waar je alle grote merken kan kopen), betere infrastructuur rond de stad zoals bruggen, er is begonnen aan een ringweg, aanleg metro, een snelweg naar de Mekongdelta, maar wat niet veranderd is zijn de elektriciteitskabels die nog steeds overal hangen.

Eind januari kreeg ik een rondleiding in Diamond Island, een appartementencomplex aan de Saigonrivier even buiten het centrum van Ho Chi Minh Stad. Het bleek een snelcursus ‘bouwen in Vietnam’. Bijna achteloos legde de eigenaar uit wat er vóór Vietnamees Nieuwjaar (10 februari) nog moest gebeuren: ‘Hier komt het restaurant, daarachter een panoramabar en aan de overkant verschijnt een tien hectare groot park, zodat onze eerste bewoners een mooi uitzicht hebben’.

De woontorens zijn bijna af, het eerste appartement is al opgeleverd, maar er kan nog niet in worden gewoond. Er moet nog wat gebeuren, zoals de inrichting van een restaurant, panoramabar, fitnessclub, etc; dit soort voorzieningen moeten functioneren als de eerste bewoners hun appartementen betrekken. Echter het programma van deze publieke voorzieningen verandert constant. Het park aan de overzijde moet ook klaar zijn als de eerste bewoners in Diamond Island komen te wonen. Het land wordt ingericht als zichtpark, later wordt het een nieuwe woonwijk. En dat terwijl de eerste bewoners van de woontorens er over een paar maanden toch echt in moeten.
De eigenaar van Diamond Island is mijn opdrachtgever. Ik werk voor een ontwerpbureau dat het interieur van de appartementen ontwerpt, de commerciële ruimten inricht en de openbare ruimte vorm geeft. Ons gesprek ging vooral over het ontwerp, maar gaf onbedoeld ook een mooi inzicht in de dagelijkse bouwpraktijk. Een aantal kenmerkende eigenschappen van de Vietnamese (bouw) cultuur kwamen aan bod.

Een eerste eigenschap is het contrast tussen plan en uitvoering. De meeste gebouwen in Vietnam komen tot stand onder invloed van twee tegengestelde krachten. Enerzijds hebben opdrachtgevers het heilige vertrouwen in een degelijk, vooropgezet masterplan dat is gebaseerd op controle en regels – het land is groot geworden met vijfjarenplannen. Anderzijds is de drang groot om in volledige vrijheid deze plannen uit te voeren.
Of het nu gaat om een appartementencomplex, een wijk of een stad, er bestaat altijd een groot contrast tussen wat de opdrachtgever beoogt en wat er in de dagelijkse realiteit tot stand wordt gebracht. De oorzaak van deze versnippering ligt vooral aan het simpele feit dat alle afzonderlijke wensen van bestuurders en projectontwikkelaars – beïnvloed door belangenverstrengeling en vriendjespolitiek – moeten worden ingewilligd.
Het resultaat laat zich gemakkelijk raden: de fraaie plannen raken versnipperd en wat overblijft, is een optelsom van incidentele projecten en oplossingen. Is dat erg? Helemaal niet, zal een Vietnamees zeggen. Deze manier van werken is namelijk sterk geworteld in de Vietnamese cultuur – ook het kommetje rijst wordt tijdens de lunch netjes verdeeld over alle gasten aan tafel.

Een tweede eigenschap is eigenzinnigheid – de gewoonte om de dingen te doen zoals je zelf wilt. Generaties lang is Vietnam gekoloniseerd, maar ze hebben de strijd altijd gewonnen, van de Chinezen, Fransen, Japanners en Amerikanen. Misschien dat men zich door deze voortdurende overheersing sterker bewust is geworden van de eigen geschiedenis en identiteit. De eigenzinnigheid is onmiskenbaar verbonden met de veerkracht van de bevolking. De manier waarop Vietnamezen omgaan met veranderingen (en dat er steeds maar wordt veranderd) blijft verrassend. Men gaat hier gemakkelijk mee om zonder de eigen waarden uit het oog te verliezen. Dat maakt de dagelijkse praktijk als buitenlandse architect gecompliceerd. Ondanks het feit dat ik vier jaar in Vietnam woon en bij een Vietnamees bedrijf werk, blijf ik een buitenstaander. Het blijft lastig om te peilen wat er komen gaat en hoe een Vietnamees op een situatie reageert.
Zelfs als je betrokken bent bij het hele bouwproces en sta je er bij wijze van spreken met je neus bovenop, dan nog is de lokale kracht zo groot dat het basisidee vaak anders wordt uitgevoerd dan verwacht. Door een gebrek aan regie, maar ook omdat ik buitenstaander ben en per definitie niet volledig op de hoogte ben van de lokale belangen, gebeuren dingen gewoon: trappen die op tekening staan zijn anders uitgevoerd en plafonds zijn lager dan eerder op tekening stond.

In de derde plaats kenmerkt de bouwpraktijk zich door meerduidigheid met als resultaat dat elk gebouw een verzoening is van ogenschijnlijke tegenstrijdigheden. Je ziet het overal in de stad. De meeste gevels van gebouwen bestaan uit een bonte verzameling stijlen – van klassiek, gotisch tot modern. Vergelijk het met de Vietnamese taal, waar eenzelfde woord door de verschillende uitspraak meerdere betekenissen heeft. Met dit vermogen om te combineren en te variëren is men in staat om flexibel te reageren op elke opgave. In tegenstelling tot de Nederlandse recht-door-zeementaliteit leidt dit, zoals men kan vermoeden, zelden tot een heldere, eenduidige oplossing.
De meerduidigheid laat voldoende ruimte voor nieuwe ideeën en interpretaties. Zeker ook uit het buitenland. Steeds meer wordt de westerse architectuur omarmd. Europese architecten, meer nog dan Japanners, Singaporezen of Koreanen, staan op een voetstuk. Maar hun positie is wankel. Het komt regelmatig voor dat een buitenlands ontwerpbureau een concept verzint dat in sterk gewijzigde vorm wordt gebouwd, waarna ze zich (al dan niet gedwongen) uit het project terugtrekt.

Tenslotte is de bouwpraktijk dynamisch. Het is een dynamiek die ik in Nederland niet ken. Het tempo waarin projecten worden gerealiseerd is indrukwekkend en de bewoners van de stad passen zich ogenschijnlijk gemakkelijk aan. Dat komt vooral door een alom aanwezig optimisme. Vietnamezen kijken liever vooruit, dan achteruit. In tegenstelling tot de Nederlanders maken zij zich niet druk over elkaar, maar gebruiken ze de energie om richting te geven aan hun eigen toekomst. Je ziet aan alles dat de jonge bevolking bevlogen is. In Nederland lijkt deze bevlogenheid verzand in regels en richtlijnen.

Bovenstaande kenmerken zijn van toepassing op alle projecten waar ik afgelopen vier jaar aan heb gewerkt. Door mijn werk bij lokale architectenbureaus heb ik deze eigenschappen van dichtbij (of beter: van binnenuit) ervaren. In mijn dagelijkse werk als architect merk ik dat de recht-door-zee mentaliteit van de Nederlanders een goede aanvulling is op de bevlogen aanpak van de Vietnamezen, gericht op improvisatie. De kwaliteit van projecten neemt toe bij af en toe wat sturing en een beetje planningstructuur.
Bovendien kan de langetermijn visie van Nederlandse ontwerpers helpen om richting te geven aan de confrontatie tussen internationale en lokale krachten in Vietnam. De aantrekkingskracht van deze confrontatie zit hem niet zozeer in de kwaliteit van projecten, maar eerder in het avontuur en de constante aanpassing aan de snel achterhaalde realiteit.