Opinie —

Mine Kafon, Your Kafon

Timo de Rijk

Timo de Rijk schreef half februari een artikel over de staat van het designonderwijs. Directe aanleiding voor zijn betoog was de opname van de Mine Kafon in de collectie van het MoMa. Vele reacties volgden, waaronder die van Arjen Oosterman (ArchiNed 19 februari). De Rijk reageert en pleit voor een integere en kritische opvatting van het ontwerpen die de volle kracht en waarde van design in stelling kunnen brengen.

Mine Kafon in de hal het Design Huis te Eindhoven tijdens de Dutch Design Week vorig jaar.
Mine Kafon in de hal het Design Huis te Eindhoven tijdens de Dutch Design Week vorig jaar.

Naar aanleiding van mijn opiniestuk ‘Deze design-mijnenveger is levensgevaarlijk’ in NRC van 12-2-2013 mocht ik vele reacties ontvangen. Opvallend genoeg was er niet één bij die mijn eenvoudige argumenten over de disfunctie van de Mine Kafon (willekeurige werking, blijvende onzekerheid) ook maar probéerde te weerleggen. Wel lieten onder andere architectuurcriticus Arjen Oosterman en Jan Boelen, hoofd van de master Social Design van de Design Academy, in verschillende toonaarden weten dat ik verkeerde vragen stel en een oninteressante discussie voer, dat militaire instellingen nog veel meer geld weggooien (blijkbaar aan even onzinnige vindingen) en dat design allang niet meer alleen gaat om probleemoplossing en functievervulling (want dat is so 20th century). In deze kringen bestaat het, overigens vruchtbare, idee om design als een debat te presenteren. Zij hebben dat klaarblijkelijk nog niet kunnen overbrengen op de ontwerper van de Mine Kafon, want die eist op hoge toon dat ik mij niet meer over zijn project uitlaat, en hij dreigt daarbij met zijn advocaat.

Mijn ergernis over de Mine Kafon en alles eromheen komt voort uit de vermeende sociale betekenis van het apparaat. Allereerst is de claim dat het ding ooit een bruikbare mijnenveger wordt, feitelijk vals en wordt het publiek daarmee voor de gek gehouden, al schijn je bij een redelijke financiële inleg als crowd-funder altijd nog een mooi Mine Kafon I-pad-hoesje of Mine Kafon lamp cadeau te krijgen. Maar vooral verbaas ik me over de bijna karikaturale aandacht voor het sociale aspect van het ontwerp, zoals ik ook de overal opduikende belangstelling voor social design merkwaardig vind. Want was design immers niet altijd al social design? Ja, natuurlijk is dat zo. Behalve dan op opleidingen als de Design Academy Eindhoven waar op onvergelijkbare wijze een aantal jaren geleden afscheid is genomen van de maatschappelijke bedoelingen van design. De recente oprichting van opleidingen Social Design aan artistieke design-opleidingen in het algemeen en die aan de Design Academy in het bijzonder is derhalve niet veel meer dan een inhaalmanoeuvre, zou je zeggen. Beter ten halve gekeerd dan ten hele gedwaald en verder zand erover.
Maar zo eenvoudig ligt het niet. In hun ambitie om design weer maatschappelijk relevant te maken, namen directie en docentenkorps paradoxaal genoeg geen afstand van de vertrouwde, maar vooral kritiekloze verbintenis met de artistieke wereld. Integendeel, grosso modo wordt nog steeds met volle overtuiging uit de methoden en codes van de vrije kunsten geput om daarmee tot een idee te komen, en om vervolgens met behulp van galerie-presentaties de resultaten te tonen en bespreken. Het is dan ook niet vreemd dat deze krachteloos communicerende vaten geen interessant discours genereren, maar leiden tot onhelderheid van denken, onnozele concepten en onduidelijkheid in communicatie.

Neem nog maar eens de Mine Kafon. Dat een persoonlijke ervaring gebruikt wordt voor een ontwerp is natuurlijk helemaal niets bijzonders. Sterker nog, de meeste ontwerpers werken op een dergelijke manier, en je kunt zelfs stellen dat ze nauwelijks anders kunnen. Het zal de door-en-door-creatieve ontwerpers aan de academies verbazen, maar ook bij de meest technische ontwerpers passeren ideeën als die waarop de Mine Kafon is gebaseerd als vanzelfsprekend in het ontwerpproces. Maar uitsluitend het persoonlijke als enige leidraad nemen, zoals in de kunsten veel voorkomt, en om vervolgens de communicatief sterkste ideeën esthetisch uit te vergroten, is een techniek die het weliswaar goed doet voor publieke presentaties, maar die funest is voor een werkelijk krachtig ontwerp, van welke conceptuele of abstracte soort dan ook. Goede ontwerpers weten heel erg goed dat een vruchtbaar concept altijd gerelateerd is aan eisen die aan het ontwerp worden gesteld, zodat serieus onderzoek naar de randvoorwaarden op elk gewenst niveau kan plaatsvinden. Maar net zoals bij veel Design Academy projecten werd voor de Mine Kafon slechts symbolisch research verricht. Het zogenaamde onderzoek is feitelijk een verslag van voortschrijdend inzicht van de maker, een valkuil die ook heeft geleid tot een onverteerbaar, romantisch soort pseudo-ambacht, dat lange tijd grote delen van het curriculum van de school teisterde. Als gevolg daarvan kon je er tijdens de laatste afstudeer-shows, jonge ontwerpers tegenkomen die gefascineerd waren door het feit dat er stoelen en vazen bestonden die ook echt gemaakt waren!

Hoewel bij veel artistieke ontwerpen de gebruiker en de consumenten zijn weg-gedefinieerd en niet zelden functie en gebruik zijn ingeruild voor discussie en bewustzijnsvorming, stel ik niet dat daardoor de relevantie of de sociale betekenis is verdwenen, integendeel. Bij ontwerpen waar de vorm de boodschap versterkt, zoals bij het mooie Pig-boek van Christien Meindertsma, levert de vormgeving een bijdrage aan een maatschappelijk debat. Het betreft hier natuurlijk wel een boek, een producttype dat uit zijn aard al zo’n 500 jaar lang debat en bewustwording genereert. Het is echter onbegrijpelijk dat de discussie bij voorkeur aangejaagd zou moeten worden in een culturele omgeving en dan liefst met behulp van de grammatica van de beeldende kunst. Tussen ‘nutteloze’ kunst en de ‘werkelijke’ samenleving bestaat een historische en dynamische dialectiek die, laten we het daar in het kort op houden, in vele opzichten vruchtbaar is geweest. Die tweespraak werkt voor design echter niet of nauwelijks en wat nog problematischer is, de betekenis van het kunstmuseum, ooit vrijplaats en vanzelfsprekende plek voor debat en controverse, is langzamerhand versleten en verworden tot een maatschappelijke gedoogzone. Als je in het museum of de galerie van de goeie ouwe tijd een blote borst toonde, en dan bij voorkeur een die geschilderd was na 1900, kon je er donder op zeggen dat er Kamer-vragen kwamen. Tegenwoordig wordt een bronzen kabouter met een dildo van een meter of zeven, juist het museum IN gedragen, uit voorzorg tegen het publieke gelazer.
Begrijp me goed, ik erken op vele manieren de inspirerende werking van de beeldende kunst, en menig symbool-blinde ingenieur die zich bemoeit met consumentenproducten kan nog wel wat opsteken van haar wervende, soms hypnotiserende kracht. Nog veel belangrijker is de culturele rol die design in vele gemeenschappen vervult, van bedrijfscultuur tot subcultuur. Maar ik bestrijd de zogenaamde vruchtbaarheid van het idee van romantisch kunstenaarschap voor de ontwerper en van het nastreven van de bijbehorende culturele biotoop voor z’n ontwerpen. Ik bezag dan ook met gemengde gevoelens hoe vorige week de Mine Kafon in het MoMA gepresenteerd werd en definitief naar de top van de Olympus der Kunsten rolde. Hetgeen overigens op zichzelf een aantrekkelijke kwaliteit is, die hoop geeft als ook met tegenwind de mijnen moeten worden opgeruimd, maar dat terzijde.

Hoewel sommige critici in het geheel niet geïnteresseerd waren in het gebrekkig functioneren van de Mine Kafon, kwamen zij wel op de proppen met de tegenwerping dat design vooral zou moeten gaan over debat en bewustzijn. Ik liet al doorschemeren dat een argument als “awareness” maar al te vaak en gemakkelijk gebruikt wordt als comfortabele schuilplaats voor de luiaards en de gemakzuchtigen. De vragen aan welk soort awareness, design een bijdrage zou moeten leveren, en of uitgerekend design en designers aan awareness wel een bijdrage kunnen leveren, zijn daarmee nog niet beantwoord. Net als de onderwerpen van veel Eindhovense ontwerp-projecten zijn de bedoelingen ervan vaak strikt persoonlijk, maar in de praktijk niet zelden dermate algemeen en triviaal dat van een relevante bijdrage aan een maatschappelijk debat toch nauwelijks gesproken kan worden. Er is daar de fictieve goegemeente wat aan bewustzijn bijgebracht over ongewenst massa-toerisme, waterverspilling, ontbrekende kennis van de natuur en contactarmoede bij bejaarden. Allemaal eerzame bedoelingen hoor, maar moeten uitgerekend ontwerpers, in gestileerde, metaforische of welke vorm dan ook, deze taak op zich nemen? Het komt me toch voor dat journalisten, politici en wetenschappers daarvoor heel wat beter uitgerust zijn en bewezen hebben dergelijke opdrachten met klinkende resultaten uit te kunnen voeren. Een rondje met de Mine Kafon langs enkele onwetenden van de onderhavige discussie leert overigens dat de meesten het apparaat zien als een perverse poging om de Afghanen zelf voor een appel en een ei de troep op te laten ruimen, die anderen daar veroorzaakt hebben. Een awareness die de ontwerper niet bedoeld heeft, dat begrijp ik ook wel.

Hoe onmachtig om niet te zeggen onvoldoende opgeleid veel ontwerpers zijn om zich adequaat met het debat te bemoeien en greep te krijgen op de maatschappelijke uitwerking van hun project, blijkt niet alleen uit de Mine Kafon. Het is nog maar een jaartje geleden dat de hele Nederlandse design gemeenschap met plaatsvervangende schaamte toekeek toen de toenmalige troetelkindjes van de Design Academy zich in het televisie-programma De Wereld Draait Door vertoonden. Job Smeets en Nynke Tynagel kregen zelfs in twee uitzendingen de gelegenheid om de referentie aan een concentratiekamp van hun ontwerp voor een tuinhek uit te leggen. Dat lukte natuurlijk helemaal niet, maar toch bevatte die schandalige vertoning een wijze les voor alle ontwerpers. Studio Job betrad met zijn hek de publieke ruimte, met een symboliek die in het museum geen enkele reactie opleverde, maar aan de straatkant onmiddellijk gevolgen had. Job heeft overduidelijk een eenzijdige voorkeur voor de holle galm van de witte ruimte, waar niemand terug praat en zijn ‘objecten’ van geen andere betekenis worden voorzien dan die hij zelf bedenkt. Dat moet hij natuurlijk zelf weten, maar hij bewees met de faux pas van zijn Holocaust-hek feitelijk onbedoeld dat de betekenis van design in de wereld buiten de cultureel geconditioneerde ruimte zoveel ingewikkelder, gevaarlijker en interessanter is, dat het voor mij onbegrijpelijk is dat beginnende ontwerpers zich door een onvoorwaardelijke verbintenis met de hoge cultuur laten marginaliseren. Ik heb overigens alle aanleiding en vertrouwen te denken dat de besten dat ook zeker niet laten gebeuren. Die hebben feilloos door dat niet de architectuur of de beeldende kunst, maar producten en systemen de wereld en het dagelijks leven hebben veranderd, en dat zij daaraan als ontwerpers een beslissende bijdrage kunnen leveren.

Ik heb in het NRC-artikel beweerd dat de Design Academy en de vele soulmates en navolgers die het heeft, zich opnieuw als volwaardige opleidingsinstituten dienen op te stellen. De Design Academy kent een geweldige traditie waarbij ze zich meermalen opnieuw heeft uitgevonden, en  in staat is gebleken steeds weer de beste docenten, en door een inmiddels sterke internationale uitstraling, ook permanent zeer talentvolle studenten aan zich te binden. Net als sommige vergelijkbare internationale artistieke designscholen is ze echter ‘misguided’ door het eigen mediasucces. Vanwege het zure feit dat het gros van haar studenten nooit een behoorlijk bestaan als ontwerper opbouwt, geeft de Design Academy de indruk dat ze een kritische en zelfstandige positie inneemt. De afhankelijkheid van een weldadige publieke aandacht is echter vooral een indicatie dat de opleiding heel wat meer marktgericht is dan ze zelf wenst te erkennen. Toch ben ik de laatste die betoogt dat de waarde van design alleen financieel is. Nog veel minder heb ik beweerd dat alle design functioneel moet zijn, ik zou geloof ik niet eens in staat zijn voor dat begrip een goede omschrijving te vinden. Ik pleit daarentegen wel voor een integere en kritische opvatting van het ontwerpen, waar middel en doel niet verwisseld worden en op intelligente en zelfbewuste wijze methoden en kennis worden toegepast die de volle kracht en waarde van design in stelling kunnen brengen. Die integriteit is eenvoudig én moeilijk tegelijk; het betreft het nastreven van een werkelijk sociale betekenis waar een design-opleiding dat zegt te ambiëren en het ruimen van mijnen waar een ontwerper dat belooft.