Recensie —

OMA’s Servants

Madelief ter Braak

Stuk voor stuk sympathieke lui, aan de zwart-wit foto’s te zien. Starchitect-allures zijn de Civil Servants, die de hoofdrol spelen in de OMA tentoonstelling Public Works – Architecture by Civil Servants vreemd. Ook dragen ze geen strenge zwarte brillen. Serieus kijken ze wel, het blijven immers architecten. Architecten die bewust kozen voor een carrière als dienaars van het algemeen belang en verbeelders van een gedeelde ideologie. En dat, vindt OMA, verdient anno 2013 een lofzang.

Roze en groene emmers vangen de gesmolten sneeuw op die door het dak van de St. Agnes naar beneden sijpelt. De kerk in het Berlijnse Kreuzberg, de locatie van Public Works, brengt het totale aantal publieke werken op 15. Dit keer geen behang van met graffiti bespoten muren, de achtergrond van de tentoonstelling tijdens de Biënnale van Venetië 2012, maar echt beton. Versleten tegels verraden de vroegere aanwezigheid van kerkbanken; orgel en biechtstoel zijn verkocht. Toch heeft het gebouw van Werner Düttman na ruim 50 jaar niets van haar monumentaliteit verloren.

Doek en ducktape houden de kou buiten, totdat de kathedraal van beton straks wordt omgevormd tot – weinig verrassend in Kreuzberg – een nieuwe galerie. Zo modern als de kerk-annex-galerie nog oogt, zo verfrissend ouderwets is de tentoonstellingsopstelling zelf. Geen multimediale verbeeldingen, 3-D tours, apps of audioguides. Enkel zwart-wit foto’s van 15 onverbiddelijke monolieten van beton en staal, tegen de achtergrond van een dramatische wolkenlucht. Een tentoonstelling zoals ik me voorstel dat ze vroeger waren; met glazen vitrines vol van akten van aankoop, brieven en plattegronden, schijnbaar willekeurig uit verstoffende architectenarchieven gevist. Met de handgeschreven duidingskaartjes doorgrond je de ontstaansgeschiedenis van de geselecteerde gebouwen niet, wel zorgt het voor een nostalgische duik terug in de tijd.

OMA flitst ons naar de jaren zestig en zeventig, naar de hoogtijdagen van de publieke architectuur. Waar de bureaucraten van de Greater London Council, de Dienst Publieke Werken Amsterdam en de Senatsbaurat West Berlin onzichtbaar achter de schermen werkten aan een sociale utopie. Onze St. Agnes, maar ook de omgekeerde piramide van Hotel de Prefecture du Val-D’Oise (Henry Bernard) of de blob-architectuur avant-l’ordinateur van de San Giovanni Bono (Arrigo Arrighetti) zijn hier voorbeelden van.
Verrassend genoeg zijn OMA’s publieke pareltjes tot op heden aan het architectuurtoerisme ontsnapt. Een plek in de canon of het collectief geheugen ontbreekt, misschien juist omdat (architectuur)historici nooit al te dol zijn geweest op anonimiteit. Culturele helden, in goede verbinding met de media, schrijven geschiedenis – zo toont Auke van der Woud aan in zijn publicatie Sterrenstof. Ironisch is het daarom dat juist een bureau zeer bedreven in het publiciteitsoffensief, deze gebouwen nu van onder het stof der vergetelheid haalt. 

De fotoboeken in kleur, uitgestald op de zitbanken, brengen je met een schok terug naar de realiteit. Veel van de brutalistische glamour wordt teniet gedaan door graffiti, en niet alle monumenten zijn gespaard gebleven van sloop. Het Amsterdamse Wibauthuis, maar ook de Londense Pimlico School, zijn symbolen geworden van het definitieve einde van de korte, fragiele periode van naïef optimisme dat door de samenstellers zo wordt geadoreerd. Sinds 30 jaar is de markteconomie de algemene deler, in plaats van het algemeen nut; met de komst van neoliberale regeringen zijn gemeentelijke planningsdiensten opgeheven en publieke opdrachten een zeldzaamheid geworden, waardoor je bijna zou vergeten dat het ooit anders was.
OMA wil niet terug naar de jaren zestig, maar wel terug naar deze mentaliteit, waarin het onderdeel zijn van een collectief, een politieke ideologie en structuur opwoog tegen de anonimiteit. Een beetje vreemd is het wel dat de situatie aan de andere kant van het IJzeren Gordijn niet wordt belicht. Te weinig heroïsch misschien, weet ieder die de film Die Architekten heeft gezien. Anonimiteit in dienst van het communistische (DDR) planningsapparaat, leidde namelijk wel tot publieke maar zelden tot heroïsche architectuur.

Sympathieke gezichten of niet, de precieze doelstelling van Public Works is me niet duidelijk. Een lofzang is het, maar op wat? Op de heroïek van de anonimiteit? Op brutalistische architectuur? Op de collectiviteit van de bureaucraat? Of op de praktijk van OMA zelf? Verbanden zijn wel te leggen, ook OMA’s portfolio bestaat grotendeels uit publieke opdrachten en woningbouwprojecten met meerduidige functies. Ook hier werkt een verzameling van anonieme architecten, die hun identiteit heeft ingeleverd voor de gedeelde ideologie van slagschip Koolhaas. Wie heeft er ooit van de Public Works-samenstellers Reinier de Graaf en Laura Baird gehoord? Starchitects vermomd als Servants, of andersom. Vriendelijk kijken doen ze wel, maar vragen naar welk groter goed ze dienen, doe ik liever niet.