Feature —

Opgaven voor de nieuwe generatie

Elsbeth Ronner

Drs. P schreef in 1987 voor een radioprogramma over tuinieren een lied met de titel Knolraap en lof, schorseneren en prei. Het lied beschrijft op gospelachtige wijze allerlei rampen die op de mens afkomen: ‘dalende omzet, stijgende lasten’ of ‘degeneratie en makelaardij’, gevolgd door het antwoord ‘knolraap en lof, schorseneren en prei’. De tekst roept de volgende vragen op: worden met de groente de onbenullige zorgen van de burger aangeduid, of zijn de groenten juist het visionaire antwoord op alle rampen? Of: naar welke oplossing zijn we op zoek, als we ‘rampen’ het hoofd moeten bieden? Dit is ook de inzet van een discussie op de website gebiedsontwikkeling.nu, die werd voortgezet tijdens een debat op de faculteit Bouwkunde aan de TU Delft.

Locatiespecifieke interventie: avant-garde of ongepaste romantiek?
Locatiespecifieke interventie: avant-garde of ongepaste romantiek?

De hoofdrolspelers van het debat zijn projectontwikkelaar Rudy Stroink, Jorick Beijer, afgestudeerd stedenbouwkundige die een achterban vertegenwoordigt, en student David Struik, beide werkzaam bij de YoungProfessional redactie van gebiedsontwikkeling.nu. Babyboomer Stroink startte het debat met een oproep aan de jonge generatie architecten en stedenbouwers om een nieuwe avant-garde te vormen. Als voorbeeld neemt hij jonge architecten als Van Eesteren, die tijdens de crisis van de jaren '30 van de vorige eeuw met hun visionaire plannen de bouwkundige wereld op zijn kop zetten. Gelet op de huidige omstandigheden, zo stelt Stroink, moet er gebroken worden met de gevestigde orde. Zo kan er een nieuwe realiteit worden geschapen waardoor wederom voldoende werkgelegenheid wordt gecreëerd voor bouwend Nederland. De reactie van de twee anderen laat zich raden, zowel Beijer als Struik is geen voorstander van een nieuwe avant-garde. Weliswaar gestoeld op andere argumenten, verwerpen zij het idee van een radicale breuk met het verleden vanuit een visionaire verbeelding op de toekomst.

Beijer c.s. pleit niet voor een elite die een groot verhaal oplegt, maar een collectief dat samenwerkt en kleine passende antwoorden formuleert op specifieke problematieken. Zijn voorstel is om als stadsdenker aan het werk te gaan met kennis van economie, politiek, ecologie, et cetera. Struik stelt zichzelf naar aanleiding van Stroinks pleidooi twee vragen: wat is de positie van de ontwerper/ontwikkelaar, en waar ligt de opgave. Hij stelt dat de crisis architecten noodzaakt om niet als ontwerper te werk te gaan, maar werk te vinden in andere interessegebieden. Dit betekent ook dat de ontwerper niet achter zijn tekentafel de opgave bedenkt en uitwerkt, maar op straat. Op die manier worden locatiespecifieke, gefragmenteerde opgaven uitgewerkt. Hierin vinden Beijer en Struik elkaar: de pluriforme opgaven van heden ten dage kunnen niet meer zoals in de jaren '30 van de vorige eeuw met een generiek en schaalbare oplossing beantwoord worden.

De standpunten van de drie sprekers roepen in de zaal verschillende reacties op. Er wordt gezocht naar een wetenschappelijke benadering van de discussie. Filosofen als Ludwik Fleck worden erbij gehaald om aan te tonen dat een paradigmaverandering niet ontstaat door een breuk. Het standpunt van de studenten wordt kracht bijgezet door Alex Letteboer (Atelier Pro) met een relaas over de oorsprong van avant-garde bij Descartes en de vooronderstelling van noodzaak tot vooruitgang. De huidige tijd biedt echter geen plaats voor visionaire architectuur gestoeld op een planeconomische totaalvisie, zoals in de jaren '30. De tijd vraagt om kleine stappen die de wereld beter maken, aldus Letteboer. Terecht wordt door Agnes Franzen, de moderator en redactielid van gebiedsontwikkeling.nu, de vraag opgeworpen of alle kleine ideeën niet in één grote visie verenigd kunnen worden. Het gehoor, hoofdzakelijk bestaande uit studenten, voelt niets voor een krachtige verbeelding in één visie.

Het doel van het debat is tweeledig. Naast het bediscussiëren van de functie van de avant-garde, wordt er een gezamenlijke voorzet gedaan om de grote maatschappelijke opgaven te formuleren waar het vak invloed op kan uitoefenen. Onderwerpen als wijziging in gezinssamenstellingen, verandering van de manieren en plekken waar mensen werken, en de verplaatsing van productie passeren de revue. Ook ruimtelijke opgaven als de inrichting van de stad met een dalende winkelbezetting, of de paradox tussen de wens om in kleine gemeenschappen te leven versus re-urbanisatie, vormen aanknopingspunten om één of meerdere nieuwe visies te vormen.

Maar hoe worden nu de knolrapen, lof, schorseneren en prei geformuleerd? Vormen de groenten een grootschalig diner om ons te bezinnen op de vraagstukken of zijn het smaakvolle aangepaste recepten die specifiek de diëten vormen? Zien de studenten niet dat ze met deze locatiespecifieke oplossingen de nieuwe avant-garde zijn, geheel appellerend aan het idee van de architecten uit de jaren ’80? En ziet vooral Rudy Stroink niet dat hij hier te maken heeft met een avant-garde anno 2013?

Ruim een week later, tijdens een discussiemiddag over de Tussenmaat bij Crea in Amsterdam kwam de aanleiding van debat weer ter sprake. De net-niet-babyboomers ontwikkelaar Edwin Oostmeijer en architect Marianne Loof formuleerden puntig waarom juist een gevarieerd antwoord op de huidige problematieken zinvol is. De geschiedenis leert dat een dominante stroming gevaar oplevert voor de toekomst. Van het AUP tot de stadsvernieuwing in de jaren ’80 kan achteraf gesteld worden dat de overheersende visies desastreus waren. Juist organische groei en langzame planning moeten nagestreefd worden. En net als de 1000 verschillende architecten, moeten er ook 1000 verschillende ontwikkelaars opstaan. Niet alleen de 300-miljoen-ontwikkelaars als Stroink, maar ook de kleine ontwikkelaars als Oostmeijer. Een echte oproep aan Stroink om zich over te geven deed die middag publicist Vincent Kompier: "waar blijft de nieuwe financiële avant-garde?"