Recensie —

Reflecties op een IJ-schots

JaapJan Berg

Zowel het Paleis van Justitie als het omvattende IJDock-complex stammen uit een andere tijd. Toen architectuur nog niet geteisterd werd door rampspoed en gesomber. Toen architectuur onaantastbaar leek en comfortabel meedeinde op de golven van de hoogconjunctuur. Het complex is een herinnering aan die vervlogen tijden. Maar het onlangs opgeleverde Paleis van Justitie heeft ook nog wat andere ‘historische’ connotaties.

De oorsprong van het IJDock ligt maar liefst zestien jaar terug. Het is 1997, het jaar dat het Rotterdamse Schouwburgplein naar ontwerp van West 8 wordt opgeleverd en MVRDV met het WOZOCO in Osdorp en de Villa VPRO twee inmiddels legendarisch geworden gebouwen presenteert die het begin zijn van een succesvolle bestijging door Nederland van de Olympus van de internationale architectuur. Inderdaad, andere tijden.
Te midden van het conceptuele geweld van relatief ‘onaangepaste’ autonome architectuur bedenken de toenmalige angry young men Dick van Gameren en Bjarne Mastenbroek, onder de vleugels van de Architectengroep een masterplan voor het IJDock, een complex met toen nog woningen, kantoren en een hotel. Om de gewenste stapeling van veel programma niet te laten resulteren in een te monolithisch blok dat aansluiting zou missen bij het overwegend kleinschalige karakter van de bestaande stad, bedachten de architecten een kunstmatige manier om het blok op te delen zonder de samenhang te verliezen en concentratie te laten verwateren.

De inkepingen of ‘canyons’, zo stelden de architecten, reflecteren niet zozeer de kleinschalige bebouwing van de nabijgelegen historische stad maar een ander aspect van de haar kenmerkende morfologie namelijk de contramal van de bestaande bebouwing. Het zijn dus de leegtes, de grachten en zichtlijnen, die doorlopen in het complex. Deze accentuering van bestaande en nieuwe zichtlijnen verankert het gebouw ook in de stad. Het ontwerp van Van Gameren en Mastenbroek is vooral door dit sterk conceptuele karakter toch wel een typisch product van de Nederlandse architectuur uit de late jaren negentig van de vorige eeuw. Ook de ambities die ten grondslag liggen aan de planvorming zijn afkomstig uit het eind van de vorige eeuw. Het IJDock en het latere aan het programma toegevoegde Paleis van Justitie maken immers deel uit van de plannen voor de revitalisatie van de IJ-oevers en inspanningen om de oriëntatie van de stad om te draaien naar het vroegere havenfront. Het IJDock moest daarbij een pendant van de bebouwing aan de andere zijde van het Centraal station worden; de bebouwing langs de Oostelijke Handelskade met het Muziekgebouw aan ’t IJ als boegbeeld.

Het is juist dit mantra van het herstellen van de historische oriëntatie en de relatie met de stad dat sommigen steekt, waaronder architect Bas van Vlaenderen. Hij beziet het complex nadrukkelijk vanuit een ander perspectief, namelijk vanuit Amsterdam-Noord. En vanuit dat perspectief is het blok vooral te hoog en breed, de kunstgrepen die Van Gameren en Mastenbroek bedachten ten spijt. Het vormt zo, meer dan andere, eerder gereed gekomen nieuwe bebouwing aan het IJ, een dissonant in het historisch gegroeide panorama. Een panorama dat zich volgens Van Vlaenderen altijd heeft gekenmerkt door een afgemeten bouwhoogte en een juiste spreiding en positionering van hoogbouw of hoge accenten. Zelfs het Centraal Station, dat doorgaans als de doodsteek voor het historische panorama van de stad wordt aangewezen, of het Havengebouw van Dudok en Magnée, voegen zich ‘voorbeeldig’ in vergeleken  met het IJDock. Bezien vanuit het Noorden wordt het idee van dissonantie extra versterkt doordat het gebouwencomplex op een kunstmatig plek staat, waar voorheen vooral water was. Daarin onderscheidt het zich nadrukkelijk van de andere, recente toevoegingen aan de IJoevers. De bedachte canyons helpen, volgens Van Vlaenderen, de gecreëerde massaliteit alleen te doorbreken wanneer je aan de juiste kant staat. Het is voorbehouden aan de stedelingen aan de centrumzijde van het nieuwe ‘waterplein’ van de stad.

Naast de brandmerken als historische dissonant én relikwie van de voorbije hoogtijdagen van de Nederlandse architectuur herbergt het nieuwe IJ-Dock en met name het Paleis van Justitie echter ook een aantal andere historische connotaties. Op gebouwniveau is het Paleis van Justitie ontworpen door Claus en Kaan, in veel opzichten namelijk een eerbetoon aan de geschiedenis en de stad. Die zit hem niet zozeer in de lichte gevel die de prominente en kunstmatige locatie aan het IJ juist accentueert en het gebouw op ondubbelzinnige wijze onderscheidt van de overwegend donkere en bakstenen tinten die de bestaande stad kenmerken. Maar het historisch bewustzijn zit hem bijvoorbeeld in de geslaagde poging om de functie van rechtszaal en gerechtsgebouw te behouden voor het centrum van de stad. In de discussies en planvorming rond de noodzakelijke verhuizing van het Amsterdamse Gerechtshof aan de Prinsengracht werd immers om verschillende redenen ook gemikt op nieuwbouw aan de toen nog bijna onvermijdelijke Zuidas. Het mag als een wonder worden beschouwd dat bestuurders en andere verantwoordelijken niet zijn gezwicht voor deze weg van de minste weerstand.

Een ander aspect van historisch besef betreft het overdadig aangebrachte marmer op vloeren en wanden in de openbare ruimtes van het gebouw. In interviews rechtvaardigt Felix Claus het gebruik van dit materiaal door te naar de beroemde Vierschaar in het Paleis op de Dam te verwijzen, het oudste gerechtsgebouw van de stad. Ook de geprononceerde cassettenplafonds van gepolijst walnoothout zijn volgens Claus, naast hun noodzakelijke geluiddempende kwaliteiten, verwijzingen naar oude plafonds in grachtenpanden.
Het Paleis van Justitie en daarmee ook het IJDock manifesteren zich zo niet zozeer als nieuwbouw. Of het nu om de ongewoon lange ontstaansgeschiedenis, de al of niet geslaagde aanhechting aan de bestaande stad, of om de verwijzing naar historische voorbeelden, goed bezien heeft Amsterdam er eigenlijk een nieuw ‘historisch’ complex bij.