Feature —

Zoekende in de nieuwe werkelijkheid

Marjolein van Eig

Sinds 2 jaar bestaat de term creatieve industrie, benoemd door de overheid als 1 van de 9 topsectoren die belangrijk zijn voor de Nederlandse economie. Opgetuigd met een topteam en een ambitie van heb-ik-jou-daar; dat Nederland in 2020 de meest creatieve economie van Europa is. Ik wist dat niet, maar maak er wel deel van uit. Er wordt ook regelmatig gediscussieerd over de creatieve industrie: over waarheen, waarvoor, hoe en waarom. Bijvoorbeeld tijdens een debat georganiseerd door de Boekmanstichting dat de titel droeg: De nieuwe werkelijkheid van de creatieve industrie. Dit liet direct mijn hersens kraken; ik had term creatieve industrie nog maar net tot mij genomen of het bleek al verouderd en moest nodig een nieuwe invulling krijgen.

Bijeenkomst ‘De nieuwe werkelijkheid van de creatieve industrie’ – foto NAi

Benieuwd naar zowel de oude, als de nieuwe werkelijkheid bezocht ik het debat. De middag vond plaats in een instituut dat ook in een nieuwe werkelijkheid gekomen is. Het draagt daarom nu de toepasselijke naam ‘het nieuwe instituut’. Het is de nieuwe werkelijkheid van het oude NAI, de Premselastichting en het Virtueel Platform. Het publiek bleek vooral te bestaan uit beleidsmakers die praten over ‘het’ zonder dat iemand precies wist te definiëren ‘het’ was, en hoofden van opleidingen die op zoek zijn naar – ja wat eigenlijk – opdat hun studenten zich het beste kunnen profileren in de creatieve industrie.

Maar wie is de creatieve industrie? Daar kun je het lang over hebben, zo bleek ook tijdens het debat, en dan is het nog niet duidelijk. Grofweg gaat het om de nieuwe media ( waaronder bijvoorbeeld gameontwerpers), vormgeving (‘design’)  en architectuur. Kunstenaars zijn verwant maar bevinden zich in de periferie. Uiteindelijk gaat het om de economische waarde en dat is waar het bij kunst in principe juist niet om gaat. Toch? Of niet? Men was het niet met elkaar eens, het belang van kunst werd er steeds weer bijgehaald, als motor achter talloze innovatieve producten. Muziek blijkt ook niet tot de creatieve industrie te horen, wat misschien toch wel raar is omdat zoveel Nederlandse dj’s wereldberoemd de wereld overvliegen. Wie uiteindelijk bepaalt wie wel en niet mee mag doen, waarom en ‘wat je er aan hebt’ werd deze middag niet echt duidelijk.

Het debat bestond uit 3 keer 3 sprekers: beleidsmakers/ uitvoerders van de creatieve industrie en de creatieve makers zelf. Negen sprekers dus, een hoop mensen en veelal behorende tot een hoop instituten. Zij kregen ieder 5 minuten om te vertellen over hoe zij denken dat de industrie – gek woord eigenlijk voor bedrijven die voornamelijk gekenmerkt worden door beeldschermwerk – ervoor staat, hoe zij daarbinnen functioneren, hoe het beter kan en waar het volgens hen naar toe moet. Dat gaf een boel informatie met een aantal gemene delers:

–    De nieuwe werkelijkheid bestaat eruit dat de creatieve industrie volwassen en serious business is.

–    De industrie bestaat uit een fijnmazig netwerk van kleine bedrijven. Deze fijnmazigheid is een kracht, want het netwerk is flexibel, innovatief en energiek. Maar bleek ook een zwakte te zijn; veel kennis gaat verloren, het wiel wordt regelmatig opnieuw uitgevonden. De industrie zou zichzelf hierin beter kunnen organiseren, zo was het idee. Naast de bestaande afzonderlijke beroepsverenigingen een overkoepeld orgaan van de beroepsverenigingen?

–    Er is volgens veel aanwezigen behoefte aan de koppeling van creativiteit aan zakelijkheid. Het vermogen om te ondernemen ontbreekt vaak bij creatievelingen. Ook bij academies en andere opleidingen wordt nog niet altijd constructief aandacht besteed aan ondernemersvaardigheden.

–    Het zou goed zijn als er meer uitwisseling plaatsvindt tussen starters en ervaren ondernemers, bijvoorbeeld in de vorm van een mentorschap. Vooral voor starters is het in deze crisistijd goed om een beetje hulp te krijgen van een oude rot in het vak. En voor de oude rot is het inspirerend. Vraag is: kunnen mensen dit niet beter zelf organiseren, maar vooral, zouden ze dit niet zelf moeten organiseren?

–    Creatieve mensen kunnen worden ingezet om maatschappelijke problemen aan te pakken – zoals in de bijvoorbeeld de robots in de zorg. Dit nuttigheidsaspect zou meer aandacht moeten krijgen.

De creatieve industrie werkt vooral bottom-up, dat is eigen aan het creatieve en innovatieve karakter van de sector. Nu de sector volwassen geworden is, is er een nieuwe werkelijkheid aangetreden;  het belang wordt nu – top down – door de overheid erkend en bepaald. Organisaties als ‘het Nieuwe Instituut’, het Stimuleringsfonds Creatieve Industrie en de onderwijsinstellingen hebben de taak gekregen om de sector verder te brengen. Het is de verantwoordelijkheid van deze organisaties om de ondernemende creatieveling te herkennen, naar zich toe te trekken, te stimuleren en te verbinden met universiteiten en bedrijven. Wat is er nu anders dan voorheen? Het doel is nu dat Nederland in 2020 de meest creatieve industrie van Europa heeft. Wat kunnen we er als architect mee? Daar moeten we over nadenken.