Recensie —

Een nieuw Jaarboek, een nieuw geluid?

Piet Vollaard

Maandag werd in het Rijksmuseum het zesentwintigste Jaarboek Architectuur In Nederland 2012/2013 gepresenteerd. Na de dikke jubileumeditie van vorig jaar, dit keer weer een ouderwets Jaarboek, maar met een nieuwe redactie. Traditioneel wordt de redactiewisseling, die min of meer iedere vier jaar plaatsvindt, aangegrepen om de aard en de inhoud van deze dinosaurus onder de architectuurboeken kritisch te bezien en zo mogelijk aan te passen. Welke koers heeft de nieuwe redactie ingezet?

“Naar zijn aard is het Jaarboek Architectuur in Nederland conservatief.” Wie als nieuwe redactie zijn voorwoord zo begint, doet dat met opzet en kan daarna nog twee kanten uit: de traditie verwerpen of constateren dat het zo goed is. Het laatste is duidelijk het geval: "De vorm staat vast.” Er zijn redacties geweest die daar anders over dachten en die, binnen de kaders die de uitgever stelt, morrelden aan die vorm. Zo niet deze (Tom Avermaete, Hans van der Heijden, Edwin Oostmeijer en Linda Vlassenrood), die daarentegen stelt dat het juist de inhoud is waarin de huidige redactie zich onderscheidt van voorgaande. En wel "door dicht bij de missie" te blijven; “[…] het vinden van architectuur die de praktijk van 2012 illustreert.” Nu schat ik in – zonder het te controleren – dat dat in elk voorwoord van iedere redactie als belangrijk uitgangspunt te vinden is, maar toch kan deze redactie een zekere eigenwijsheid in de keuze van de opgenomen projecten en (in mindere mate) de thema’s voor de traditionele essays niet worden ontzegd.
Er staan opvallend veel ‘kleine’, ingetogen en vooral vakmanschap uitdragende projecten in dit Jaarboek. Dat zou een gevolg kunnen zijn van de productie die hoe dan ook lager (in totaal bouwvolume en aantal gebouwde projecten) en kleiner (in omvang van de projecten zelf) is dan voorheen. De ontwerpen zijn vaak rond 2009 of later gemaakt en de uitwerking en bouw heeft steeds na het doorwerken van de economische crisis plaatsgevonden (notoir langdurige projecten als Rijks museum en Stedelijk Museum uitgezonderd). Als je meer tijd hebt, als het budget onder druk staat, als je gedwongen wordt tot tussentijds herontwerpen, dan kan het best zo zijn dat je als ontwerper juist meer aandacht voor ingetogen vakmanschap gaat geven. En als dat zo zou zijn, dan volgt de redactie inderdaad ‘de praktijk van 2012.’ De redactie verklaart deze trend, als die er zou zijn, echter niet, waardoor het een beetje in het midden blijft of er sprake is van een autonome, uit de praktijk voortkomende behoefte, of dat er eerder een specifieke voorkeur van de redactie aan ten grondslag ligt.

Uit de essays die ieder op een eigen manier ‘iconische’ architectuur (wat bedoelen we daar eigenlijk mee?)  en uitbundige, grootse ontwerphoudingen verwerpen, blijkt echter dat de keuze wel degelijk ‘programmatisch’ is. Een kniesoor zou kunnen zeggen dat zelfs die keuze en de aandacht voor vakmanschap niets nieuws is en al jaren sluimert, maar dan is het nog steeds een min of meer heldere keuze. En wat mij betreft een die aan te moedigen is, want voor puur vakmanschap heeft het Jaarboek door de jaren heen nauwelijks aandacht gehad.
Maar die belofte wordt maar mondjesmaat ingelost. Er staan geen detailtekeningen in dit jaarboek (een pagina met geveldetails met onleesbaar renvooi/legenda van Kolhoff uitgezonderd). Noch zijn er deelplattegronden, aanzichten en/of doorsneden op grotere schaal van belangrijke ruimten of gebouwdelen te vinden. Terwijl een van de essays nu juist aandacht eist voor de entree, moeten we het wat betreft het bestuderen van voorbeeldige entreepartijen doen met extreem klein afgedrukte, van veraf genomen foto’s bij de desbetreffende tekst. Dat kan beter. Als het kleine in de architectuur zo van belang is – en dat is het – durf het detail en de bouwdeeltekening dan ook te tonen, desnoods doen we het met een paar plattegronden of een paar foto’s minder.

In het voorwoord zegt de redactie met een Assertief Oog te kijken naar de gebouwproductie. Nog afgezien van de wat misplaatste verwijzing naar Komrij’s Boze Oog, die immers bewust als buitenstaander, als dilettant keek, iets wat de diep in de academische, beschouwende en vakmatige praktijk ingebedde redactieleden uiteraard niet kunnen doen, valt het met die assertiviteit op zichzelf ook nogal tegen. Bij voorbaat onontkoombare en mediagenieke ‘Jaarboekprojecten’ als het Stedelijk Museum, Eye en het Rijksmuseum, staan er inderdaad keurig in. Sterker: het Rijksmuseum, dat de laatste weken niet uit te media weg te branden was, staat pontificaal op de cover. Assertief? Dat zou een coverkeuze van een van de kleine projecten geweest zijn; van Krill/Christian Muller, van Frantzen et al, van korth tielens of van Tony Fretton.
Waar de ‘grote iconen’ dus gewoon zijn opgenomen, zijn er een paar ‘medium icons’ – zo lijkt het – bewust uit de selectie gelaten. Wat vooral opvalt is het ontbreken van ‘De Boekenberg’, de bibliotheek in Spijkenisse van MVRDV. Negen van de tien redacties zouden dit project hebben opgenomen. Doe je dat niet, dan heb je wat uit te leggen. Het is niet de traditie van het Jaarboek om in te gaan op niet geselecteerde plannen, dat is ook ondoenlijk, maar in dit geval zou het interessant (en assertief) zijn geweest als de redactie dat nu eens wel had gedaan. We moeten het nu doen met een paar verdekte opmerkingen over projecten met ‘torenhoge budgetten, die desondanks niet weten te bekoren’ (Powerhouse daarom niet opgenomen?)  of mystieke connotaties als ‘Het ontwerp bleek lang niet altijd doordrongen van de actuele complexe condities binnen de bouwkunde.’ Verklaar u nader, redactie. Dat zou Komrij anders hebben aangepakt: Man en paard! En de zweep erover!

Naar zijn aard is de recensie van een nieuwe jaarboekredactie kritisch. Je doet het nooit goed. En zo hoort het ook, want dan valt er tenminste nog wat te verbeteren in de komende drie edities. Wie pleit voor een vakinhoudelijk Jaarboek, voor ingetogen vakmanschap en voor aandacht voor het detail in de architectuur, zou zelf het goede voorbeeld kunnen geven door scherp geformuleerde teksten en een voorbeeldige beeldredactie en door (nog) meer aandacht voor typologie, constructie, materiaal en context in de gebouwbeschrijvingen. Het meest inhoudelijke en op de uitgangspunten aansluitende  ‘essay’ van dit Jaarboek is een interview met Hans Kolhoff.
En misschien kan dan ook die zelden zinvolle indeling op functionele typen – Gebouwen voor Zorg en Onderwijs (alsof dat twee vergelijkbare typen zijn), Seriematige Woningbouw, Particuliere Woningbouw, Publieke Gebouwen (met totaal uiteenlopende gebouwen als een barretje in t park tot een gerestaureerde, 19e eeuwse mastodont) en Bedrijfsgebouwen (geen kerken dit jaar?) – overboord. De dagen van Pevsner zijn nu toch echt voorbij. Een indeling op ruimtelijke typen, materiaal, constructiewijze, of welke direct uit de ontwerppraktijk voortkomende indeling ook, zou gezien de uitgangspunten van deze redactie meer voor de hand hebben gelegen.
De aandacht voor de daadwerkelijke praktijk en voor vakmanschap is aan te moedigen en blijft hopelijk leidraad voor de volgende jaren. Maar dat neemt niet weg dat er ook andere dingen gebeuren dan netjes metselen en andere praktijken zijn ontstaan dan de traditionele trits opdracht-ontwerp-bouw. Laten we ze voor het gemak (maar er is veel meer) de ‘ZUS-DUS’ praktijken noemen. Een redactie die pretendeert objectief de actuele praktijk te illustreren,  kan daaraan niet voorbijgaan, hoe ver die praktijken ook van de traditie af lijken te staan. Een assertief oog mag een eigenzinnige blik in het interieur van het vak werpen, maar niet blind zijn voor wat er intussen ‘op straat’ gebeurt.