Recensie —

Op zoek naar eigen kracht

David Kloet

In december van het afgelopen jaar verscheen het nieuwe jaarboek Landschapsarchitectuur en Stedenbouw 2012, met daarin de meest prikkelende plannen uit 2012. Met als thema ‘Op eigen benen‘ laat het jaarboek zien hoe zo langzamerhand het vakgebied zich opnieuw uitvindt. Veel aandacht gaat uit naar de zoektocht hoe om te gaan met de stagnering van de groei, collectief en particuliere initiatieven en het opnieuw definiëren van de geschiedenis.

Bij het doorbladeren van het jaarboek valt direct de grote verscheidenheid aan plannen op. Zowel grootschalige plannen, als de herstructurering van stadscentra, duurzaamheidsopgaven, (civiel)technische wateropgaven, als ook projecten van een kleine schaal (een ontwerp voor een privétuin, parkeerplaats, objecten en landgoederen) komen aan bod. Waar er in voorgaande jaargangen van het jaarboek voornamelijk aandacht was voor de gerealiseerde ontwerpen, wordt in dit jaarboek ook (nog) niet gerealiseerde projecten getoond. Met de 31 geselecteerde projecten wil de selectiecommissie onder leiding van Eric Luiten de ‘best practice’ van het vakgebied laten zien.

In het jaarboek zijn, kijkend naar vakbenadering, twee type plannen opgenomen. Allereerst zijn er projecten die een volwassen praktijk vertegenwoordigen; plannen die een opmerkelijke nieuwswaarde hadden of projecten waaraan het kwalitatieve niveau van de Nederlandse stedenbouw en landschapsarchitectuur kan worden gemeten. Met name het veelbesproken plan van Sjoerd Soeters voor Zaandam herinnert sterk aan de tijd van grootschalige stedenbouwkundige planontwikkeling en architectonische regie. Maar het kan ook subtieler. Het restauratieplan van buitenplaats Trompenburg door Karres en Brands landschapsarchitecten is daar een prachtig voorbeeld van. Geen grote ingreep of bijzondere uitspattingen, maar een fraai vormgegeven plan met zorgvuldige afwegingen en vakmanschap die zich toont in de uitvoering van de eerste fase.

pagina’s uit het besproken boek

Het tweede type zijn projecten van een jongere praktijk; zoekend naar manieren hoe om te gaan met de nieuwe opgaven, de stagnerende groei of krimp. Sommige plannen zijn nauwelijks meer dan een statement, maar er wordt ook gezocht naar een nieuwe positionering en attitude van het vak. Veel van de stedenbouwkundige plannen in het boek vallen onder deze categorie. De oorzaak hiervan kan liggen bij de financiële crisis, maar in de stedenbouw wordt al langer gezocht naar nieuwe richtingen in, en betekenis van het vak. Meest representatief zijn de vier getoonde plannen in het hoofdstuk ‘Ontwerpen na de groei’. De plannen van We love the City, Must stedenbouw, KAW architecten en MVRDV geven alle een nieuwe visie op de aansturing van plannen; ze zoeken urgentie, stellen zich flexibel op, en het eigen initiatief van de ontwerper als participant wordt niet uitgesloten.

Hiermee wordt duidelijk dat de ontwerper niet langer alleen van achter de tekentafel opereert, maar zich actief opstelt als speler in het ontwikkelproces van een gebied. Een aantal projecten laten ons zien dat het nog een stap verder kan gaan wanneer de ontwerpers het heft in eigen hand nemen. Deze voornamelijk kleine schaal projecten zijn van een activistische aard en tonen een grote betrokkenheid van de ontwerper op de eigen leefomgeving. Goed voorbeeld daarvan is het project ‘De Tussentuin’ van Wolbert van Dijk. Bij de ontwerper in de straat wordt een rij woningen gesloopt en nieuwbouw door de woningcorporatie laat nog even op zich wachten. Van Dijk heeft al snel een plan voor een gemeenschappelijke tuin klaar liggen dat hij met medebewoners verder ontwikkelt en uitvoert. Wellicht dat aan dit soort activisme juist nu een grote behoefte bestaat, de tuin wordt immers succesvol door de omwonenden opgenomen, maar het roept ook de vraag wat de werkelijke waarde van het project voor het vakgebied is en of de ontwerper vooral als ijverig burger opereert.

pagina’s uit het besproken boek

Het jaarboek laat op zo verschillende manieren zien wat de stand van zaken is in de Nederlandse ontwerppraktijk. Het richt zich voornamelijk op projecten op Nederlandse bodem en relateert aan de vakdiscussie van de Nederlandse praktijk, en daarmee doet het boek het vakgebied tekort. Ok, er worden enkele voorzichtige stapjes over de grens gemaakt zoals een grensproject van Strootman Landschapsarchitecten in België en het ontwerp van Vista landschapsarchitecten voor de herinrichting van de voormalige steenkolenmijn in Saarbruck, maar daar houdt het dan ook echt wel op. Terwijl meer dan ooit te voren de Nederlandse ontwerpbureaus in het buitenland actief zijn, in Europa en daarbuiten. Ter compensatie is er het essay van Mark Hendriks over de grotere bureaus die in het verre oosten werken met de veelzeggende titel ‘Wij zeggen nooit nee’. Hierin stelt Hendriks de ongebreidelde stedelijke groei in onder andere China en Rusland aan de kaak. Hij interviewde ontwerpers als Francine Houben (Mecanoo), Ruurd Gietema (KCAP) en Gijs van den Boomen (KuiperCompagnons), die alle drie aangeven dat de belangrijkste opgave van de mondiale verstedelijkingsopgave ligt bij het bouwen van goede woningen in prettige en duurzame wijken. Toch lijkt het erop dat geen van de ontwerpbureaus goed grip krijgt op de geld gedreven projectontwikkeling in de zich ontwikkelende BRIC-landen. De ruimtelijke opgave wordt vooral gedomineerd door vastgoedinvesteerders, vage tussenpersonen en malafide projectontwikkelaars.

Het jaarboek geeft helder beeld van de stand van zaken en een overzicht van de mogelijkheden in het vakgebied. De diversiteit is aantrekkelijk, maar voor veel plannen geldt dat ze hun meerwaarde in de toekomst nog moeten bewijzen. Het eenzijdige beeld van de buitenlandse projecten dat wordt neergezet over de ervaring van een aantal grote Nederlandse bureaus in het buitenland stemt somber. De toevoeging van inspirerende, buitenlandse projecten van Nederlandse bureaus in een volgend jaarboek zou een waardevolle toevoeging aan het overzicht zijn. Daarmee zou het jaarboek het Nederlandse vakgebied kunnen positioneren en relateren aan een buitenlandse ontwerppraktijk, en zo de discussie over de toekomst van het vak voeden.