Opinie

Het overbodige vernieuwen

Ben ik de enige die een ontevreden gevoel overhoudt aan het lezen van het opiniestuk Een overbodig beroep? van Jasper de Haan? Dirk Follet reageert op De Haans idee over het beroep architect, over diens nut, noodzaak, status en scholing, en komt met tegenvoorstellen.

OMA – Stadskantoor Rotterdam, collage.

Het opiniestuk van Jasper de Haan begint met een inleiding waarin een aantal clichés – de architect veroorzaakt vertraging, kost geld, zijn lastig – het probleem illustreren: architecten slagen er onvoldoende in hun meerwaarde aan de markt duidelijk te maken. Dit beeld is ondertussen gemeengoed. Je verwacht dat het probleem verder uitgewerkt wordt, eventueel met voors en tegens, in plaats daarvan lees ik wat over het onderwijs en dat de leiding van de opleidingsinstellingen weinig affiniteit hebben met architectuur.
Halverwege het artikel is er een hermetisch stukje over het NAi, er wordt naar mensen en gebeurtenissen verwezen zonder ze te benoemen. Iedere niet-architect die deze alinea leest, begrijpt het meteen: architecten zijn zo bezig met zichzelf dat ze niet het lichtpuntje worden dat mijn probleem oplost. Beter kon de stelling niet geïllustreerd worden.
Daarna gaat het alleen maar bergaf met de tekst: een stukje over het Bauhaus, over ambachtelijkheid. Ambachtelijk wordt hier gebruikt zoals we dat in de supermarkt tegenkomen, een nostalgisch verlangen naar vroeger, maar met moderne middelen. Woorden die voorbij gaan aan de realiteit. Niemand associeert de bedrijven die nu de best ontworpen producten bedenken met ‘ambachtelijk’: zie Apple, BMW, Disney.

Wat moet er daadwerkelijk veranderen? Ik vind het niet terug in het artikel, maar De Haan stipt nochtans voldoende verbeterpuntjes aan: communicatie (we leggen het niet goed uit), relevantie, de inhoud van ons werk, altijd onenigheid zonder echt kritisch te zijn. Ik doe een poging de logica achter bovenstaande punten te beschrijven.

Het meest cynisch is dat er iets schort aan de communicatie. Wat mij het meest verbaasde toen ik in 2001 vanuit België naar Nederland kwam, was de importantie van het ‘concept’. Ik had geen idee wat het was, maar het bleek een soort slogan te zijn waarmee de belangrijkste onderdelen van het ontwerp verbonden worden. Ook al zijn het maar woorden, ze blijken cruciaal in de acquisitie. Daardoor worden ze dat ook in het ontwerp: eenmaal de opdracht verworven, gaat de meeste aandacht naar het overeind houden van dat concept.
Op basis van hun ervaring mag je dus verwachten dat architecten goed getraind zijn in het produceren van een oneliner waarmee ze hun nut kunnen aantonen. Het Concept van de Architect! Hoe kan het dan dat Jasper de Haan  – terecht – schrijft dat er iets mis is met de communicatie? We graven verder.

Herzog De Meuron – eerste ontwerp uitbreiding Tate Modern, Londen, maart 2007.

De motivatie om een ontwerp te veranderen heeft altijd een externe oorzaak: budget, techniek, wetgeving. Tussen droom en daad staan wetten in de weg, en praktische bezwaren. Aan de droom wordt niet getwijfeld. Een groot deel van de frustratie die bij andere partijen tijdens het bouwproces wordt opgebouwd, wordt veroorzaakt doordat de architect zijn slogan maar heel zelden aan de realiteit toetst. En dat de toetsing, op eigen initiatief of als onderdeel van het besluitvormingsproces, er zelden toe leidt dat de architect uit eigen beweging zijn concept loslaat, ten behoeve van iets beters. Nee, hij werkt het concept vooral verder uit, wat de partners er ook van vinden. Anders gezegd: de communicatie waar we goed in zijn is slijmen bij potentiële opdrachtgevers. Daarbij gaan we ervan uit dat problemen en irritatie die later opduiken, niet verder verteld worden. Het is de klantvriendelijkheid die we kennen van bankiers en colporteurs. Is het gek dat opdrachtgevers ervoor kiezen de opdracht van hun architect uit te hollen en een deel uit te besteden aan partijen die minder goed opgeleid zijn en toch beter betaald krijgen?

Welke gevolgen heeft dat voor het architectenbureau? Als je omzet bepaald wordt door de creatieve slogans die je kan verzinnen en de bijhorende plaatjes, is het dan niet logisch dat diegene die daar goed in zijn, doorgroeien binnen een bureau? Wat overigens een echte kantoorbaan is: roem is immers niet te behalen op de bouwplaats. De sterren van het bureau blijken dromers die met lede ogen moeten toezien hoe hun geweldige ontwerp verprutst wordt door de boze buitenwereld. Op de Nederlandse bouwplaats vind je overigens zelden opdrachtgevers en architecten krijgen voor hun aanwezigheid niet meer betaald. Wat komen ze daar eigenlijk doen? Opdrachtgever en aannemer zien architecten boos zand in de machine strooien en met slechte oplossingen komen voor problemen die ze zelf veroorzaakt hebben. Wegwezen!
Het gevolg zijn architectenbureaus die in bouwkundige fictie handelen en de (technische) realiteit ontkennen. “Behangers”, noemde een goede relatie van mij ze eens. Hij heeft veel architecten ingehuurd en aangestuurd. Jasper de Haan heeft gelijk: het initiatief om ons zo op te stellen hebben we zelf genomen. Ja: wij architecten. De slachtoffers zijn degenen die erin moeten wonen, het moeten afbetalen of onderhouden.

Op lange termijn bepaalt dit ook het debat dat we in architectuur voeren. Als ik succesvol ben door goede concepten te bedenken en dromerige plaatjes te maken, dan denk ik ook dat een goed concept gelijkstaat met goede architectuur, toch? Er ontstaat een debat wat steeds verder af komt te staan van de realiteit, een waarin alleen spectaculaire projecten besproken worden. Een debat dat alleen nog gaat over “the extra push over the cliff”.
Het zijn onze universiteiten die deze evolutie aangemoedigd hebben. Ze hebben zich laten verblinden door de glitter van de sterren. Het komt wel vaker voor dat volksstammen hun blikveld vernauwen als de wereld om hen heen verandert: zo proberen ze de zuiverheid van hun Godheid te bewaren, als drager van hun identiteit. Het is echter de taak van universiteiten om na te denken over de ontwikkelingen in architectuur en daarop te anticiperen in hun onderwijs. Of het moest zijn dat onderzoek heeft uitgewezen dat architecten echt irrelevant zijn en dat de maatschappij nood heeft aan praters die aan subsidie verslaafd zijn.
We zijn met z’n allen een fuik ingezwommen en die begint nu te knellen. De wereld is al lang veranderd. Het is tijd dat wij dat ook gaan doen. Dat begint met het bijspijkeren van onze kennis en mentaliteit. Ik doe een paar voorzetten, want kritiek is goedkoop.

BIG Architects: ‘TEK3 contains an almost urban mix of programs with no obvious hierarchy. We propose to organize the shops and showrooms, offices and hotel rooms, conference rooms and exhibition spaces, restaurants and galleries along an internal extension of the pedestrian street to the south.’

Het afgelopen decennium hebben we met lede ogen aangezien hoe een steeds groter deel van het bouwbudget opging aan techniek. In dezelfde tijd hebben we ons daar steeds minder mee bemoeid, laat staan dat we de techniek als uitgangspunt hebben genomen voor ons ontwerp. Dat is iets anders dan ons druk maken over armatuurtjes, onzichtbaar maken van brandslanghaspels en branddeuren. Ik bedoel ook niet ’technisch uitziende’ gebouwen maken.
Kijk eens naar de smartphone in je zak. Jaren geleden was dat een grote bak die op je bureau stond met een spaghetti aan draadjes aan de achterzijde. Is je telefoon goed omdat die groot is, een goed concept heeft, uit dure materialen is opgetrokken? Of is je telefoon goed omdat hij uniek en bijzonder is, speciaal bedacht voor jou? Wordt iedere telefoon helemaal opnieuw ontworpen, alsof het de eerste keer was? Heb je hem gekocht omwille van de gephotoshopte plaatjes die net niet overeenstemmen met het ding zelf? Toch is onze telefoon een pareltje van design. Het is namelijk een verrijking van ons leven omdat de technologie bedacht is om ons leven makkelijker te maken.
We moeten opnieuw kennis maken met de homo sapiens, begrijpen wat die ziet, denkt en voelt als hij door onze gebouwen dwaalt. We moeten weten hoe hij de informatie, die voortkomt uit de communicatie tussen het gebouw en hem, verwerkt en opslaat. We moeten van dat model vertrekken als we onze boodschappen coderen in onze ontwerpen. Gebouw stuurt gedrag, of we willen of niet.

Onze make-over kan klein beginnen, door terug te keren naar onze mooiste projecten en na te gaan in hoeverre de bewoners ons concept beleefd hebben. Door eerlijk te vragen wat ze ervan vinden, wat ze denken dat de bedoeling was, door te onderzoeken waar hun perceptie verschilde van de onze. We hoeven onze ogen niet te sluiten voor de genadeloze tand des tijds, maar ervan uitgaan dat het onze keuze was. Slecht onderhoud? Misschien hadden we iets moeten maken wat door deze mensen wel onderhouden kon worden.
Het helpt ook om de komende zomervakantie een rondje langs de canon van de twintigste eeuwse architectuur te maken. Door ze nu eens niet uit een boek te leren kennen, maar er doorheen te wandelen en ons bij elke stap bewust te zijn van de communicatie door het gebouw. De meesterlijke, ingehouden timing in het werk van Adolf Loos bijvoorbeeld: wanneer wordt wat precies verteld? Weet je nog wat je twee meter eerder dacht te zien?

Ik kan nog wel even doorgaan. Eén ding is zeker: we moeten de realiteit omarmen. De markt staat niet op de architecten van nu te wachten. Maar wel op die van morgen, als wij dat willen.