Recensie —

Niet meer en nog niet: twee nieuwe boeken over zelf doen

Vincent Kompier

Recentelijk verschenen er twee interessante boeken met een overlappend thema: het effect van veranderende tijden op het ontwerpen en (zelf) bouwen. Wat leren deze publicaties ons over de huidige en toekomstige tijd? En wat kunnen ontwerpers met deze lessen?

De presentatie van het boek Urban Catalysts in Berlijn, georganiseerd door het magazine Arch+, had iets van een reünie. Als popsterren van de succesvolle hit van tien jaar geleden, het internationale onderzoeksproject Urban Catalyst, zaten Philipp Oswalt, Klaus Overmeyer, Philipp Misselwitz op het podium om hun concluderende publicatie te presenteren. Het boek vormt een theoretisch kader voor het verbreden en verdiepen van het begrip tijdelijkheid, geïllustreerd met voorbeelden uit de praktijk. Tussen 2000 en 2003 zijn in vijf Europese steden (Helsinki, Amsterdam, Berlijn, Wenen en Napels) verschillende projecten onderzocht en geanalyseerd, die enige vorm van tijdelijkheid als belangrijkste kenmerk hebben. Gedurende het onderzoek werd het project groter en groter; inmiddels hadden zich twaalf verschillende partners, waaronder Nyenrode Universiteit, zich verbonden aan het project. Het gehele project kan -onbedoeld – als slow journalism beschreven worden; feitelijk beslaat het boek een tijdvak van 2001 tot 2013. Bij de boekpresentatie verontschuldigden de auteurs zich voor de vertraging en bedankten het aanwezige publiek voor hun geduld. Dat is wat koket, het geduld en de traagheid die het project kenmerken maken het eindresultaat – het boek – juist overtuigend.

In 2007 publiceerden dezelfde auteurs een tussentijds kijkje in het project, Urban Pioneers, waarin de opkomst van tijdelijke projecten in Berlijn werd beschreven. Werd de in dat boek geuite kritiek op het disfunctioneren van het ruimtelijk planningssysteem nog door menig vakgenoot luchtig weggewuifd, in 2013 is de abstractie van het begrip crisis voor veel architecten en ontwerpers concrete werkelijkheid geworden. De impact van de wereldwijde financiële crisis op het ontwerpen en bouwen wordt in Urban Catalyst nog eens haarscherp beschreven. De nadruk op het vergroten van financieel kapitaal en vrije geldstromen heeft tot louter monetair gestuurde stadsontwikkeling geleid. Dat systeem heeft overduidelijk gefaald. Vastgoedpakketten en aandelenconstructies maken eigendom tot een abstractie, waardoor de werkelijke waarde ondoorzichtig geworden is. Aspecten die traditiegetrouw bij eigendom horen zoals sociale verplichting, lokale binding of omgevings- en milieubewustzijn, worden door deze abstractie van eigendom uitgevlakt. ‘Voor wie ontwerp of bouw je eigenlijk?’, is een vraag die menig ontwikkelaar en ontwerper zich nu kan afvragen – of zich eerder had moeten afvragen.

Na tien jaar onderzoek trekken de auteurs, en gastschrijvers als sociologe Saskia Sassen, professor in bouwrecht Rudolf Schäfer, architectuurhistoricus Margaret Crawford en stadssocioloog en stedenbouwkundige Arnold Reijndorp, scherpe conclusies. Tijdelijk gebruik – Zwischennutzung, op z’n Duits – is allang niet meer een marginaal fenomeen of ‘alleen maar’ een tussenoplossing voor crisisgebieden waar het even niet zo lekker loopt. En al wordt Zwischennutzung vaak ingezet als stadsmarketing; feitelijk is het de tegenhanger van de vastgelopen traditionele stadsontwikkeling en zeker niet de oplossing voor stilgevallen projecten. Creativiteit en tijdelijkheid worden in Nederland vaak in een gevaarlijke cocktail aangewend om een zwakke plek of gebied ‘op de kaart te zetten’. Dat is wat de auteurs nadrukkelijk niet voor ogen hebben. De inhoud is dan wellicht veranderd, de receptuur blijft bij deze benadering gelijk. Het alternatief wordt als een nieuw, flitsend label ge/misbruikt om het traditioneel doordenderen van de mislukte stadsontwikkelingspolitiek te maskeren.

Die Nederlandse reactie op tijdelijke initiatieven wordt in het boek (overigens niet doelbewust) bekritiseerd. De auteurs waken voor tijdelijkheidambtenaren of een apart tijdelijkheidloket, omdat dergelijke fenomenen de ideale sluipweg vormen voor ambtenaren die niet doorhebben – of niet willen zien – dat de wereld totaal is veranderd. Ook een apart juridisch kader voor tijdelijkheid wordt afgeraden: rechtsongelijkheid ligt daarbij op de loer. Ontwerpers wordt aangeraden het bestaande veel meer als uitgangspunt te nemen. Door een ander gebruik ontstaat uiteindelijk toch iets heel nieuws.

Dat het niet alleen de crisis is die tot de opbloei van tijdelijk gebruik heeft geleid, is een andere interessante conclusie uit het boek. Het veranderende gedrag van de mens, die in het alledaagse leven het liefst wonen, werken, verkeer en recreëren door elkaar mixt, leidt tot aandacht voor nieuwe ruimtelijke vormen. Plekken waarvan de onduidelijke en tijdelijke status juist de uitdaging is. Plekken in een ‘niet meer’ en/of een ‘nog niet’ stadium, zoals architect Kees Christaanse treffend beschrijft. De promiscuïteit van de plek als verleidende dimensie. Dat laatste is voor planningsland Nederland, waar een scheefliggende stoeptegel al tot een nationaal debat over rommeligheid van de openbare ruimte leidt, dé grote uitdaging. De Nederlandse, traditiegetrouw tot in detail juridisch vastgelegde functieordening, maakt het tijdelijke projecten, waarbij functiemenging juist het kenmerk is, vaak lastig.

Onder de titel Was tun? biedt het boek strategieën die inzicht bieden in de aanpak van tijdelijkheid. Dit onderdeel wordt gelardeerd met voorbeelden uit de verschillende steden. Succes- en faalfactoren worden geanalyseerd en doordat de projecten over een periode van tien jaar zijn beschouwd, levert dat interessante voorbeelden op. Niet om het ‘wat’ te kopiëren, daarvoor zijn ze te specifiek, maar om het ‘hoe’ te kunnen duiden. Alleen de flauwe, kraakachtige en tijdelijk uitziende vormgeving van het boek doet geen recht aan de emancipatie van de tijdelijkheid. Een dergelijke vormgeving is het onderwerp onwaardig.

Het tweede belangwekkende boek dat recent verscheen is Self Made City Berlin. In deze Duits/Engelse uitgave worden vijftig bouwprojecten uit Berlijn geanalyseerd, waarbij eigen initiatief het samenhangende etiket vormt. De heldere beschrijvingen geven scherp inzicht in de bouwkosten, de aantallen appartementen, de groepsgrootte (bij CPO-projecten), de verhouding openbaar-privé, de plattegronden. Ook in dit boek wordt overtuigend aangetoond waarom het heft in eigen hand nemen tot bijzondere projecten kan leiden. Belangrijke vragen worden hierbij beantwoord. Door welke kwaliteiten genereren zelfbouwprojecten (meer)waarde, en waaruit bestaat die meerwaarde dan? Hoe kan de stadsontwikkeling nog sterker profiteren van wat er aan zelfbouw in Berlijn plaatsvindt? Meerdere architecten, ontwikkelaars en onderzoekers delen er hun inzichten. Volgens hen is niet de terugtredende overheid de oorzaak van de zelfbouw. Ook de beleidsmatige cri de coeur om zelfbouw tot dé oplossing voor de vastgelopen woningmarkt te bombarderen wordt niet ondersteund. Het gaat de auteurs om gebrek aan kwalitatief goede woningen die passen bij het woon- en leefpatroon van het moderne (patchwork-)huishouden. Het vergroten van de betrokkenheid van stadsbewoners bij hun leefomgeving is een tweede belangrijk doel. Thema’s zoals hergebruik van bestaand vastgoed, het aanwenden van hybride concepten waarin gebruik en functies door elkaar heen lopen, duurzaamheid en verdichting worden aan de besproken projecten gekoppeld. Feitelijk zijn het 3D-uitvoeringen waarin nieuwe vormen van bouwen en wonen worden uitgetest.

Een parallel met het boek Urban Catalyst betreft ook hier de vormgeving; de kwaliteit van de foto’s is helaas wat aan de lage kant. Dat dwingt de lezer ertoe met het boek in de hand de projecten daadwerkelijk te gaan bekijken. En zo hoort het ook. Want ontwerp levert niet van papier alleen, maar vereist aandacht voor het daadwerkelijk gerealiseerde. Of dat nu tijdelijk is of niet.