Feature —

Goede architectuur?

Bob van Reeth

In het negentigste nummer van het architectuurtijdschrift OASE geven 14 architecten, historici, en theoretici een antwoord op de eenvoudige doch onmogelijke vraag ‘wat is goede architectuur’? Bij wijze van voorpublicatie volgt hier het antwoord van bOb Van Reeth, voormalig Vlaams Bouwmeester, oprichter van het Antwerpse architectenbureau AWG.

Illustratie van Eva le Roi bij de tekst van bOb Van Reeth
Illustratie van Eva le Roi bij de tekst van bOb Van Reeth

Wat is goede architectuur? Vanwaar die vraag? Blijkbaar is er nogal wat werk van architecten dat tot nadenken stemt of het antwoord zelfs schuldig blijft. Troost vind je in dat geval bij de dichter Herman de Coninck: ‘Slechte poëzie is vaak heel leerzaam om te weten te komen waarom goede poëzie zo schaars is.’

Ik denk dat architectuur het zoeken is naar architectuur. Het gaat dus om goed zoeken. Zoeken is wat een project voorafgaat. Zoeken is het op weg zijn naar wat in het project gesublimeerd en ‘verheerlijkt’ moet worden (zoals Wittgenstein het zei in zijn Vermischte Bemerkungen). Om tegemoet te komen aan emotionele en intellectuele verwachtingen, noden – en dit gaat niet zonder inspanning en geduldige belangstelling. Zoeken naar het thema, naar het karakter, naar de bestaanswil van de opgave, naar de noodzaak, wat niet hetzelfde is als de noodzakelijke vereisten. Noodzakelijkheid is de bestaansgrond van de architectuur, is het bruikbare voorbij, is de innerlijke noodzaak van de opgave: het is onvermijdelijk en onontkoombaar.

De bestaanswil van de architectuur is het geheim van het raffinement van haar noodzaak, de zuivere, evidente noodzaak. Bezieling ligt in de verheerlijking van die noodzaak. Zoeken naar een emotionele vereenzelviging met het onderwerp, naar een vorm van ‘dichtbijheid’, naar een intimiteit. Daardoor is architectuur ook autobiografisch.

Architectuur is afhankelijk van de gelegenheid. De kwaliteit van een project begint met de kwaliteit van de opdrachtgever. Het is in eerste instantie hij of zij die de opgave oriënteert, niet door de plaats van de architect in te nemen, maar om de eigen cultuur en ideeën aan de opdracht toe te voegen, als culturele intentie voor de opgave. Architectuur is te belangrijk om alleen aan architecten over te laten. De architect moet de bouwheer attent maken op het belang hiervan. Het gaat daarbij niet om het zogenaamde functionele programma, maar om de wil van de bouwheer sporen na te laten voor de toekomst. Een gebouw is de uitdrukking van een mentaal beeld en de bemiddeling tijdens een passage waaraan het glans verleent.
Architectuur is niet functioneel, wel elementair.

Een gebouw is een mogelijkheid, is dienstbaar, liefst zwijgzaam, stil, heeft de bereidheid tot, maakt plaats vrij, bemiddelt. Gebouwen als intelligente ruïnes. Geschikt voor gebruik: ‘fit for purpose’, zoals Charles Voysey het uitdrukte. Goede gebouwen verbergen het dagelijks gebruik, zij zijn bestendig en halsstarrig, koppigerwijs distributief en (met Kant) ‘doelmatig zonder doel’ Daarin zit de kwaliteit van hun duurzaamheid, van hun culturele duurzaamheid, die waardigheid oplevert. Doelmatigheid eist de juiste maat, een uiterste precisie die alles mogelijk laat wat toch niet te voorspellen blijft. Aldo Rossi wees daar voortdurend op: een gevoel voor maat, discretie en bereidheid, begaan maar niet betrokken.

De architectuur passeert niet in de tijd, de tijd passeert in de architectuur. Goede gebouwen zijn eenvoudig. Ze zijn genereus. Het resultaat van ontwerpen en bouwen moet niet simpel maar eenvoudig zijn. Wij lossen geen vormproblemen op maar bouwproblemen en zijn daardoor onttrokken aan de willekeur van vormgeving. Daardoor wordt vermeden dat architectuur ‘gedesignd’ is en blijft ze gespaard van gekunstelde homogeniteit.

Het is verbazingwekkend welke ‘ontdekkingen’ je doet terwijl je ‘reduceert’, omdat je ‘vermindert’, vaak nog eerder door niet toe te voegen dan door weg te laten. Dat is het verschil met het minimalisme. Ontdaan van vertoon maar niet afzijdig. Eenvoud werkt als een zekere traagheid, als een middel tegen ontgoocheling, tegen geweld en lawaai. Eenvoud komt tevoorschijn vanuit het besef dat beperking een vorm van verdediging is, en wellicht ook voorwaarde tot duurzaamheid. Granpré Molière zei het treffend: ‘Eenvoud waar eenvoudigen aan voorbijgaan.’ Een project moet zich verankeren in de site, als een vanzelfsprekend onderdeel de bestemming van de plek vervolledigen. Eigenlijk vervolledigt het bestaande (het oude) altijd het nieuwe. Zij zijn gelijktijdig.

Architectuur is een stadsopgave – altijd. Ook als het om een site gaat die niet in de stad is gelegen, is er de verwijzing naar de stad, is het een ontwerp over de stad. De eigen aard van de architectuur is collectief: is STAD. Er schuilt immers veel kracht en ontwerpenergie in de stad. De meest bijzondere opdracht is de stad structureren, dat is de werkelijke functie van de architectuur. Het gaat meer om de ensemble-waarde dan om de individuele performantie van geïsoleerde objecten. In de mate dat een gebouw het bijzondere, het exclusieve tentoonspreidt wordt het onherhaalbaar en door die onmogelijkheid tot herhaling zet het zich af tegen de stedelijke banaliteit, tegen de stadsregels, de stadswetsmatigheden, tegen, zoals Adolf Loos het zei, ‘de voornaamheid van het gewone’. Of met Heinrich Tessenow: ‘Stille vormen en stille kleuren neigen er altijd naar om iets heel stedelijks en gemeenschappelijks te hebben, omdat het stedelijke vraagt dat we het persoonlijke onderdrukken.’ Tegen de achtergrond van het gewone is de stad erkenbaar door plekken met een bijzondere betekenis. Betekenis die veelal wordt gedragen door gebouwen en publieke ruimten waar de gemeenschap wat mee heeft. De lezing van de architectuur is het verhaal van de stad zonder de anekdote van haar geschiedenis.

‘Architectuur is niet interessant’ – wie zei dat ook alweer?