Recensie —

Amsterdamse verbouwingen in beeld

Allard Jolles

In Amsterdam waren er tussen 2003 en 2012 maar liefst 12 culturele instellingen aan het bouwen. Fotograaf Jan Theun van Rees heeft deze activiteiten met zijn camera nauwlettend gevolgd. Het resultaat, aangevuld met gedichten van Willem van Toorn, publiceerde hij in een fraai boek. Verborgen Stad/Hidden City toont de achterkant van de architectuur en is tegelijkertijd een ode aan het restauratievak. Maar de som der delen levert nog meer op, betoogt Allard Jolles.

Onlangs liep ik weer in het centrum van Amsterdam, op een van de warmste oktoberdagen ooit in Nederland. Het Museumplein toonde zich in volle glorie, met een flinke rij voor de Malewich-tentoonstelling in het Stedelijk en een flinke rij voor de kassa’s van het Rijksmuseum. Je zou bijna vergeten dat twaalf maanden eerder beide gebouwen nog niet toegankelijk waren en dat Amsterdam en haar toeristen jaren hebben moeten wachten op de glorieuze make-over van beide instellingen. De zucht der verlichting is groot en kan, vooral op het plein tussen de instellingen in, goed gevoeld worden. Alleen kniesoren kijken klagend terug dat het allemaal wel erg lang geduurd heeft. Terwijl dat eigenlijk wel meevalt. Het fotoboek Verborgen Stad/Hidden City van Jan Theun van Rees laat namelijk in sfeervolle, bij vlagen dramatische stillevens zien wat een enorme hoeveelheid werk er verzet is. En tegelijkertijd toont hij overtuigend aan dat terugkijken soms loont, want wie eenmaal de bakstenen muurtjes en draaglatjes achter de nu strakke witte wanden van het Stedelijk heeft gezien, snapt voor altijd dat er meestal meer is dan het oog te zien krijgt. Onze kennis is voorgoed verrijkt met beelden van plekken die nu niet meer zichtbaar of bereikbaar zijn.

De gedichten van Van Toorn passen uitstekend bij de foto’s, ook omdat ze meer beschrijven dan wat we zelf al zien. Dat merkt de lezer al in het eerste gedicht, dat in enkele kernachtige strofen het prille begin van ontwerpwerk weergeeft: ‘Voordat het gebouw hier stond, / verrees het al in de gedachten / van zijn makers – maar dan in achter- / kanten van vorm, hol, andersom / geschetst op een ondergrond / van nog denkbeeldig papier.’ Verderop verwijst Van Toorn bij een foto van nog in plastic verpakte rode stoeltjes van het DeLaMar Theater naar een geboorte: ’het vlies dat ze nu nog scheidt / van het leven als theater / al doorzichtig van tijdelijkheid.’

Dit zijn geen foto’s meer, maar een echoscopie van nieuwbouw!

DeLaMar Theater 20 oktober 2010 (Foto: Jan Theun Van Rees)
DeLaMar Theater 20 oktober 2010 (Foto: Jan Theun Van Rees)

En aan het eind van het boek lijkt het alsof Van Toorn steeds samen van Van Rees negen jaar op bouwplaatsen heeft doorgebracht: ‘ En welke nieuwe taal / is er binnengekomen / en voor jaren opgeslagen / nu de steen de ruimte weer sluit?’ Inderdaad, architectuur is een taal waarvan het vocabulaire tijdens een verbouwing per definitie verandert: Cruz en Ortiz hebben niet alleen Cuypers weer in volle glorie teruggebracht in het Rijks – de foto’s getuigen daar op magistrale wijze van – maar ook hun eigen architectonische taalgebruik voor lange tijd met het museum samengesmolten.

Zo is dit boek, meer dan alleen documentatie van een reeks architectonische ingrepen en gebeurtenissen, ook een ode aan het restauratievak. We zien de achterkant van de architectuur, doordat we nu blijvend fotografisch bewijs hebben van hoe het er achter de wanden uitziet, of hoe een bepaalde plek er op enig moment uitzag. De tijdelijkheid van de bouwplaats is gevangen door een medium dat bij uitstek tijdelijk is; of zoals Sylvia Dornseiffer het in haar inleiding stelt: een foto is alleen tijdens de klik van het maken verbonden met het hier en nu, om daarna direct over te gaan in het ‘daar en toen’. De gedichten van Van Toorn geven de serie foto’s een extra laag: dit boek gaat over scheppen, over verzinnen, maken en uitvoeren; over het toewerken naar een climax, zijnde de oplevering, de opening en de ingebruikneming. Hoewel er nergens een foto is te zien die ook maar voorzichtig preludeert op champagne en toespraken, gloort er op het beste werk van Van Rees altijd wel wat licht uit onverwachte hoek, soms omdat er een wandje is weggeslagen, soms omdat er een deel van het dak ontbreekt. En dat licht lijkt vooral te verwijzen naar de verlossing die het einde van de tunnel altijd brengt, de verlossing van het moment van oplevering: het is volbracht. Ook hier is er een andere kant: enkele van de Amsterdamse cultuurtempels, bijvoorbeeld het DeLaMar Theater, hebben hun meest fotogenieke moment waarschijnlijk al gehad.

Tot slot nog dit: de oplage van deze uitgave bedraagt slechts 800 stuks. Snel naar de winkel dus. Daarbij: de kans dat er ooit nog eens een fotograaf twaalf culturele verbouwingen tegelijk kan volgen, in één stad, lijkt me niet veel groter dan nul.