Recensie —

De verleidelijkheid van het grote gebaar. Het werk van Dogma

Hans Teerds

In vier portacabins op het parkeerterrein van de Delftse Faculteit Bouwkunde is nog tot volgende week de tentoonstelling 11+1 projects te zien, een overzichtstentoonstelling van het intrigerende werk van het Brusselse bureau Dogma. Met de tentoonstelling zet de faculteit na de brand in 2008 weer een eerste voorzichtige stap om haar rijke tentoonstellingstraditie voort te zetten.

Locomotova 3. Voorstel voor het gebied van Spina 4, Turin, 2010
Locomotova 3. Voorstel voor het gebied van Spina 4, Turin, 2010

Dogma is een decennium geleden opgericht door de Italiaanse architecten Pier Vittorio Aureli en Martino Tattara, die beide studeerden in Venetië en aan het toenmalige Berlage Instituut in Rotterdam. Grote bekendheid kreeg hun werk toen ze in 2005 de prijsvraag voor de nieuwe hoofdstad van Zuid Korea wonnen met prikkelende beelden van grote haakse gebouwen die samen een groot vierkant grid vormden, waartussen het bestaande landschap, bebouwing, industrie, én natuur, kon blijven bestaan. Sterker nog: het werd er door gearticuleerd. Het plan kan model staan voor het werk van het bureau dat nu getoond wordt. Grootschalige, en met name ook rechtlijnige ingrepen in het stedelijk gebied of het landschap, dat niet slechts de eigenheid – of in de traditie van het rationalisme de autonomie – van de interventie benadrukt, maar tegelijkertijd de omgeving ontrafelt en verduidelijkt.

De projecten worden telkens op dezelfde wijze gepresenteerd. Van elk project ligt er een groot formaat (A1, uiteraard vierkant) projectboek. Elk boek begint met een schets in dikke pennenstreken – een lijn, enkele parallele lijnen, een ladder, een vierkant, een grid – dat de opzet van het plan representeert. Elk boek omvat een aantal teksten: interpretaties van de architecten waarmee ze hun werk in een architectonische traditie plaatsen, met name refererend aan studies en tekeningen uit de Renaissance, Giovanni Batista Piranesi (waar ze telkens weer op terug komen), aan Heinrich Tessanow, Ludwig Hilbersheimer, en de Italiaanse beweging La Tendenza, en een hoeveelheid tekeningen, waarvan enkele ook in grote panelen (weer vierkant) aan de wand hangen. Het zijn met name de tekeningen die de aandacht trekken. Het zijn grote zwart-wit lijntekeningen die zich nadrukkelijk meten met de plattegrond van de Villa Hadriana, de tekeningen van Giambattista Nolli, en het paneel van de Analoge Stad van Aldo Rossi.

Venus. Voorstel voor 800 sociale woningen in Vieusseux-Villars-Franchises, Genève, 2013
Venus. Voorstel voor 800 sociale woningen in Vieusseux-Villars-Franchises, Genève, 2013

De plannen zelf doen in hun enorme schaal, doel en strategie denken aan een combinatie van Rem Koolhaas’ afstudeerplan Exodus en Aldo Rossi’s paneel van de analoge stad. Het zijn superposities van compromisloze recht-toe-recht-aan architectonische objecten in het stedelijk landschap, die zowel uitersten verbinden, maar ook grenzen stellen. Aureli en Tattara ontbreekt het daarbij niet aan durf. Ze stellen gebouwen voor waarin 60.000 inwoners zullen wonen, minstens zoveel vierkante meter voorzieningen, studio-ruimte, of kantoor, bebouwde brug-achtige verbindingen van meerdere kilometers lang, en dat alles op het eerste gezicht zonder variatie, in het strenge en formele handschrift zoals we dat van de Italiaanse rationalisten kennen.

In een bijschrift bij het project ‘Stop City’, uiteraard een uitdaging aan Archizooms Non-Stop-City, verduidelijken ze het idee van hun keuze voor, zo noemen ze het zelf, ‘dictatorial framing’: compromisloze vormen omschreven door de rechte lijnen en de haakse hoeken. ‘Architectural Form’ schrijven ze bij de afbeelding van een enorm wit blok in een Hollands polderlandschap, ‘works as a strategy simply by existing; it is there to advance its context, not itself.’ Tegen de achtergrond van Aureli’s boek The Possibility of an Absolute Architecture (2012), waarin hij stelt dat de vorm van architectonische objecten de essentie is, het enige kritische vermogen dat de architectuur nog rest na de opkomst van de kapitalistische stedenbouw, krijgt dit onderschrift reliëf. Architectonische vorm mag bij Aureli – en in het werk van Dogma – centraal staan, het is er vooral niet voor zichzelf.

Stop City, 2007
Stop City, 2007

Het gaat niet om de architectonische celebratie van om het even wat voor vorm, want dat is eerder een teken dat architectuur een functie van economie en markt geworden is. Het is een bewijs dat architectuur haar autonomie heeft weten te bewaren. Juist door de concentratie op het vierkant (het ‘dogma’ van het bureau) levert het zich niet uit aan de mechanismen van de markt en de stedenbouw, noch aan de architectonische verleiding van het iconische, – al wordt deze kritiek verzwakt doordat de projecten zelf, die met hun monumentaliteit en enorme schaal op hun beurt toch ook iconisch worden. Het is in hun ogen juist door het dogma dat ze de kapitalistische stad kunnen onderzoeken, interveniëren en cultiveren. Terecht stelt Dogma zelf dan ook dat het werk dat het bureau produceert architectuurtheorie is.

De architectonische interventie, ook deze op papier, wordt door Dogma dus gezien als een politieke daad dat het functioneren van de kapitalistische stad bekritiseert door het te ontrafelen. De keuze voor de megalomane structuur en indifferente vorm is daarbij ook een kritiek op het alomtegenwoordige potemkin karakter van de architectuur en stedenbouw. De cruciale vraag is natuurlijk, en iedereen die deze tentoonstelling bezoekt zal zich dat afvragen, of daar die enorme schaal van de voorgestelde bouwwerken voor nodig is. Leveren ze zich in plaats van aan de markt daarmee niet uit aan totalitaire strategieën?

A Simple Heart, 2002-2010
A Simple Heart, 2002-2010

De manier van presenteren onthult iets over Dogma’s poging dat te voorkomen. Het werk wordt enkel in teksten en tekeningen gepresenteerd. Er zijn maquettes van het werk, maar ze worden nadrukkelijk niet getoond. Maquettes zijn immers bij uitstek instrumenten van totalitaire (politieke) strategieën: het is inherent aan het instrument zelf dat detail wegvalt en eenheid benadrukt wordt. De tekeningen van Dogma daarentegen ontvouwen hoe de rechtlijnigheid van het grote gebaar niet alleen duidelijkheid verschaft in de Europese en Aziatische metropool (een opvallende concentratie van het werk), er grenzen in aanbrengt en daardoor verschil organiseert, maar ook hoe deze grote gebaren de grond raken. In met name de plattegronden worden de interventies getoond door de begane grond in te tekenen in de stadsplattegrond. Van een afstand lijkt het de confrontatie aan te gaan, en slechts uitersten te verenigen. De tekeningen tonen echter nauwgezetheid in de inbedding van de structuur in de specifieke context, waardoor ook de opzet en organisatie van het grootschalige object verandert. Daar waar het plan over een treinstation dendert biedt het andere ruimten dan daar waar het insnijdt in een winkelbuurt. De tekeningen en montages laten in al hun eenvoud zien dat onder de grote schaal en het grote gebaar een rijkdom aan typologieën verborgen gaat. Het verhoedt de projecten voor eenduidigheid en introduceert ambiguïteit. Albert Speer is, om het met een referentie te zeggen, opvallend afwezig. Dogma’s keuze is helder: alleen in een proces van toe-eigening van de grote een eenvormige structuur zal de mens zijn individualiteit kunnen vestigen.

Frame(s)Voorstel voor sociale huisvestingsunits Westerlo, 2012
Frame(s)Voorstel voor sociale huisvestingsunits Westerlo, 2012

Dat is ook het cruciale aspect van het project Frame(s) uit 2011, dat een kleinschalig haaks blok sociale woningbouw betreft, in een vergeten hoekje in de Vlaamse gemeente Westerlo – een inzending voor een besloten prijsvraag. Met slechts 44 woningen het kleinste project op de expositie dat wordt getoond; ten opzichte van hun overig oeuvre nauwelijks meer dan een pluisje op de wand. Hier verlaat Dogma de architectuurtheorie en zou het zomaar de confrontatie met de praktijk aan kunnen gaan. Het plan is niet spraakmakend. Het zijn eenvoudigweg rijwoningen, met een strakke, monumentale gevel. De inbedding in het veld is niet verrassend, de haakse hoek gaat niet de confrontatie aan met een chaotische context. Achter de gevel en in het open veld binnen in de haak gaat wel een rijkdom aan variatie schuil: plattegronden en doorsneden waarin binnen- en buitenkamers met moestuinen en keukens doorontwikkeld zijn, grotere en kleinere rijwoningen afgewisseld met appartementen. Het biedt structuur en juist daardoor ook ruimte voor toe-eigening door de bewoner. Je vraagt je alleen wel af of je die geschiedenis van grootschalige structuren nodig hebt om uiteindelijk zo’n al te praktische opgave op deze manier uit te werken.

Bezoek de tentoonstelling, nu het nog kan – al was het maar vanwege de intrigerende tekeningen.