Recensie —

Duizelingwekkend: Tate Britain vernieuwt

Caroline Kruit

“Ik geloof helemaal niet in de combinatie van oude gebouwen en nieuwe architectuur”, liet museumdirecteur Penelope Curtis in 2010 optekenen in een interview dat de aftrap van een grote renovatie van Tate Britain markeerde. Drie jaar later, tijdens de persbezichtiging van de door Caruso St John vernieuwde entree van Tate Britain, herhaalt ze die stelling en voegt toe: “We hebben onze architectonische erfenis geoptimaliseerd”.

Foto: Caroline Kruit
Foto: Caroline Kruit

In een periode van ruim drie jaar en met een budget van 45 miljoen pond werd het ‘Millbank Project’ gerealiseerd: een inwendige metamorfose van het aan de Theems grenzende deel van het museum voor 500 jaar Britse kunst. Belangrijkste interventie: een wenteltrap van duizelingwekkende schoonheid.
Caruso St John – in 2007 benoemd tot ’huisarchitecten‘van Tate Britain – sloopten wanden, vloeren en maakten een enorm gat onder de koepel van het atrium, de Rotunda. Met een prachtig zwierende wenteltrap creëerden ze een nieuwe logistiek en werd de vloer op straatniveau toegankelijk en bruikbaar gemaakt. Dat het resultaat – volgens hun zeer betrokken opdrachtgever Curtis- naadloos past in het beeld van het oorspronkelijke gebouw van Sidney R.J. Smith uit 1897 is zeker de verdienste van Adam Caruso en Peter St John. “Voor onze generatie architecten is het verschil tussen oud en nieuw niet zo interessant”, zei een wat onverschillige Caruso tijdens de bezichtiging: “Over een half jaar is iedereen vergeten hoe het oorspronkelijk was”.

Voor de niet-regelmatige bezoeker van het Tate Britain – het moederschip voor de minstens zo goed bezochte musea Tate Liverpool en Tate Modern en Tate St Ives in Londen – is het misschien wel goed om dat beeld even op te roepen. Sydney Smith ontwierp in opdracht van weldoenaar Henry Tate aan het eind van de negentiende eeuw een imposant museum aan de oever van de Theems – de Millbank – op de locatie van een gevangenis (in onbruik geraakt omdat de ’bewoners’ naar Australië waren verscheept). Smith maakte een entree met een grote trap en kolommenrij, als een tempel voor de National Gallery of British Art. Smith was volgens Adam Caruso “geen briljant architect, maar hij had wel gevoel voor symmetrie en detail”. Gelet op de periode van de bouw, was het ontwerp van Smith vrij ingetogen en zelfs subtiel te noemen, aldus Caruso. Henry Tate had grootse plannen met het gebouw: bij de opening in 1897 werden de plannen voor de eerste uitbreiding gepresenteerd. In de loop van een eeuw werden vele uitbreidingen gerealiseerd door evenzoveel architecten en kreeg het gebouw een tweede entree, aan de achterzijde. Door de overstroming van de Theems in 1928 werd het oudste deel – de entree aan de Millbank – voor het publiek goeddeels dichtgezet en in gebruik genomen als kantoorruimte. Juist dit deel is door de recente renovatie weer letterlijk opengemaakt.

Foto: Caroline Kruit
Foto: Caroline Kruit

Over het ‘hoe’ van de renovatie wilde Caruso het tijdens zijn presentatie bij de opening helemaal niet hebben. De taak van de architecten bestond vooral uit het optimaliseren van het potentieel van het gebouw, beweerde hij stellig. De nieuwe details zijn een herhaling van of vervolg op de details die er al waren. Met een (geforceerde?) bescheidenheid somde de architect wat ontwerpbeslissingen op: meer licht in de ruimten op straatniveau, dus gewelven gemaakt en gevel geopend; nieuwe entree voor de groepen schoolkinderen die het museum bezoeken; kantoorruimten getransformeerd tot lounge; het Whistler restaurant in ere hersteld, en natuurlijk die trap in het midden van de Rotunda. Aan milieu en energie werden niet zoveel woorden te besteden (“Ja, per ruimte is het klimaat geoptimaliseerd, de condities zijn wezenlijk verbeterd – waar mogelijk met een reductie van het energieverbruik”).
Toch zijn Caruso en St John het gebouw stap voor stap aan het veroveren. Het eerste door hen aangepakte ‘domein’ werd al in mei 2013 onthuld: de galerijen waar onder andere de Henry Moore en William Blake collecties zijn tentoongesteld. Bij elke zaal, gang of trappartij in de vernieuwde vleugels zijn drie kwaliteiten nu duidelijk aanwezig: licht, lucht en ruimtelijkheid. Drie niet-tastbare ingrediënten van architectuur die allesbepalend zijn voor het comfort van de bezoeker en de beleving van de tentoongestelde kunst. Het weten van het ‘hoe’ doet inderdaad bijna afbreuk aan het resultaat, daar heeft Caruso dan wel weer gelijk in. Maar tegelijkertijd is het frustrerend dat de nieuwsgierige vakgenoot kennelijk zelf maar moet uitvogelen hoe dit resultaat is bereikt. Deze architecten laten nauwelijks een kijkje in de keuken toe.

Met de recente, tweede oplevering binnen een half jaar geven Caruso St John wel degelijk een eigen visitekaartje af. En meer zullen volgen. Het architectenbureau heeft een meerjarencontract met Tate Britain, al heeft directeur Curtis aangegeven dat een volgend groot project nog even op zich moet laten wachten: “Er is nog veel te doen, maar we nemen nu een pauze om het gebouw verder te bestuderen.” In deze periode zal ongetwijfeld veel tijd gaan naar het werven van fondsen: ook in de Engelse culturele sector zijn de discussies groeiend terwijl de budgetten krimpen. Over het langdurige samenwerkingsverband is Caruso positief: “Je gaat elkaar meer uitdagen, er blijkt meer mogelijk. Wij duwen, zij duwen terug”.

Foto: Caroline Kruit
Foto: Caroline Kruit

Vragen over constructieve ingrepen kan Caruso lastiger uit de weg gaan. Op aangeven van directeur Curtis komt er een beetje inzicht in de wijze waarop de ruimten op de begane grond bruikbaar zijn gemaakt. “De vloer moet eruit, riepen de architecten”, vertelt ze met verhoogde stem. “Dat moest even bij ons bezinken. Dat het gat en de trap bij de Rotunda er moesten komen, dat werd ons snel duidelijk. Het geeft het gebouw weer een x-as en een y-as waardoor het overzichtelijker en logischer wordt. Maar dat de vloer bij het café er in zijn geheel is uitgegaan, die ingreep zijn we pas gaan waarderen toen we de kwaliteit van de ruimte met eigen ogen zagen.”

De nieuwe ruimte ademt een bijzondere sfeer van klassiek en modern. Wie nu het Djanogly Cafe betreedt, loopt onder een klassiek gewelfde constructie. Nieuw? “Tja, hier hebben we echt een flinke ingreep gedaan door het plafond te verhogen en meer licht binnen te halen. Gewone kolommen vonden we niet zo goed passen. Daarom hebben we ons verdiept in de taal van het gewelven maken, waarmee het een soort crypte wordt”, legt Caruso uit. Maar hoe die gewelven zijn gemaakt, blijft duister. Liever heeft Caruso het over het meubilair, dat het architectenbureau ook ontwierp. “Meubilair met een houten basis in een tijdloze mix van stijlen en kleuren”, zo omschrijft hij het zelf. Curtis zag in de gewelven aanleiding om kunstenaar Alan Johnston een speciale commissie te geven: met zijn team is hij dagenlang bezig geweest om met potloodstreepjes een schaduwpatroon op de betonstructuur aan te brengen.

Foto: Caroline Kruit
Foto: Caroline Kruit

De sleutel om Caruso te verleiden tot uitspraken over ontwerpoverwegingen, details en materialen blijkt het woord ‘vakmanschap’ te zijn. De architecten zijn zeer te spreken over de mensen die hun ontwerpen hebben uitgevoerd. “Voornamelijk Britse aannemers”, antwoordt Caruso op de vraag ‘wie’. Maar bij het huzarenstukje van het project – de in terrazzo uitgevoerde wenteltrap met gekromde glazen balusters – blijkt er toch een belangrijk aandeel uit Italië te zijn gekomen. Het patroon in de vloer is afgeleid van een vorm die is te zien in glas-in-lood ramen en hekwerken elders in het gebouw. Caruso St John hebben die ene vorm vertaald in een prachtige geometrische slinger in drie dimensies (M.C. Escher zou erin zijn gebleven!) en de tekeningen via het programma Rhino 3D bij de producenten neergelegd. In delen zijn trap en vloer geprefabriceerd in Verona, terwijl een andere producent de warmgevormde glaspanelen voor de balustrade vanaf tekening maakte. Bij het inmeten op locatie bleek het eerste glaspaneel al niet te passen. “En dan komt het op echt vakmanschap aan”, stelt Caruso. Enthousiast vertelt hij hoe de specialisten bij elkaar kwamen en de productieprocessen analyseerden. Dat bij het maken van steenachtige elementen de uitharding een bepaalde zetting met zich meebrengt en dat die afgestemd moet worden met de zetting die bij de afkoeling van het glas optreedt. Vlak voordat het een scheikundig verhaal wordt, haalt de architect – die kennelijk bij deze ‘onderhandeling’ tussen materiaaldeskundigen een zeer geïnteresseerd toeschouwer is geweest – met een zucht de schouders op. “Uiteindelijk heeft de glasproducent de mallen veranderd en bleken de panelen na uitharding precies te passen. Prachtig!”, besluit hij zijn verhaal. En dan laat hij voor heel even die bescheidenheid varen. “Ik kan niet wachten om dit aan mijn Zwitserse architectuurvrienden te laten zien.”