Feature —

‘Eternity is overrated’

Jeroen Visschers

Zoals tijdens het schaken het paard als enige stuk over andere stukken heen kan springen, nodigt Stroom Den Haag traditiegetrouw internationale sprekers uit die door hun ongebruikelijke en uitgesproken visie ons buiten de gebaande paden over architectuur, stedelijkheid en openbare ruimte laten nadenken. Op donderdagavond was het de beurt aan de Britse criticus en schrijver Rowan Moore om de Knight’s Move lezing te verzorgen. En zoals het paard de grootste slagkracht heeft als het nauw omringd wordt door andere stukken, zo zaten we in klein gezelschap haast bij Rowan Moore aan tafel.

Foto: Alex van de Beld

Rowan Moore schrijft als architectuurcriticus voor de Britse krant The Observer. Geschoold als architect, legde hij in 2008 de ontwerppen permanent neer in ruil voor de scherpe pen van de criticus. In 2012 verscheen zijn lijvige pocket Why We Build bij Picador. Het boek, dat een absolute aanrader is, beschrijft hoe de drang te bouwen voortgestuwd wordt door menselijke verlangens naar macht, hoop, seks, geld en het idee van een thuis. Moore’s kracht ligt in zijn anti-theoretische houding. Meer als een journalist dan als een theoreticus noteert hij zijn eigen observaties en overdenkingen over architectuur. In zijn boek biedt hij de lezer geen raamwerk om zus of zo te denken, maar benadert hij zijn onderwerp van verschillende hoeken. Niets ligt vast, alles beweegt.

Zijn werk is interessant om dat hij niet voor een vakpubliek schrijft. De ‘Wij’ in Why We Build beperkt zich niet tot architecten of stedenbouwkundigen. Ook niet tot de banken, de ontwikkelaars of de fysieke bouwers van aannemers tot metselaars. De ‘Wij’ zijn alle gebruikers van gebouwen. Rowan stelt dat architectuur pas betekenis krijgt als het gebruikt wordt. Bouwen is in die zin het gebruiken van een gebouw, het functie en betekenis verlenen. Mede daarom past Rowan Moore in de indrukwekkende line-up van de Knight’s Move cyclus, die opgespannen is van Luc Deleu en Paul Shepeard tot Anthony Vidler en Juhani Pallasmaa. Allen bieden een verfrissende kijk op architectuur, stedelijkheid en openbare ruimte.

Verfrissend was de avond zeker. In de intimiteit van een klein gezelschap ging deze avond niet zo zeer over de beweegredenen voor bouwen. Het gesprek zou gaan over het misverstaan van gebouwen als gestolde objecten die onveranderbaar in de tijd zijn. Architectuurtijdschriften laten graag architectuur zien in pas opgeleverde staat. Glossy foto’s van gebouwen en interieurs die nog niet gebruikt zijn, zonder sporen van slijtage of gebruik. Het liefst zonder hinderlijke gebruikers gefotografeerd. Het gebouw is ‘af’. Rowan Moore betoogt dat het dán pas begint. De manier waarop een ontwerp gebruikt wordt, maakt  van een gebouw pas architectuur, zelfs – of wellicht vooral – als het gebruik anders is dan op voorhand bedacht.

Mr G’s Travel

‘All buildings are temporary, but some are more temporary than others’
Voor Le Corbusier bijvoorbeeld was het Parthenon een onverstoorbare architectonische expressie voortgebracht door de wil een gebouw te scheppen dat een magnifiek spel van vorm in licht zal zijn. Daarmee gaat hij er aan voorbij dat het Parthenon in haar geschiedenis niet één betekenis kende, maar een veelheid aan functies herbergde: van tempel, kerk, moskee,  opslagplaats voor explosieven, steengroeve tot uiteindelijk toeristische trekpleister. Het Parthenon is, zo stelt Moore, nooit af. Le Corbusier’s concept van het Parthenon is niet compleet, ‘it is a misunderstanding of classical architecture’.
Rowan Moore ontkent niet de waarde van architectuur als tijdloos, haast metafysisch object, ongenaakbaar en onveranderbaar. Tijdens de vele illustratieve voorbeelden die de avond vullen, verwijst hij naar de getrapte piramide van Djoser, ontworpen door Imhotep – wellicht de vroegste architect die we nog bij naam kennen – de tombe en het monument, volgens Adolf Loos de enige twee echte vormen van architectuur. Welhaast zuivere geometrieën waarbij de wisselwerking tussen beschouwer of publiek en gebouw eendimensionaal is. Ze fascineren door hun ontzagwekkendheid. Er is haast geen enkele andere manier om er mee te interacteren, laat staan ze te gebruiken.

John Jordy

‘I am not against eternity, but eternity is only one register of time. Architecture is interesting because it has so many registers, from centuries to seconds, but so many are overlooked.’
Rowan Moore haalt de Highline, de herbestemming van een  in onbruik geraakte, opgetilde hoogstedelijke spoortracé  in New York, aan en beschrijft hoe de verschijningsvorm van de Highline verandert met de seizoenen, het weer, de groei en bloei van planten en de veranderende intensiteit  van voetgangersstromen die hoogstwaarschijnlijk het weer volgt. Tijdens zijn lezing, maar vooral in het boek, is ‘het strand’  een graag gebruikte metafoor voor dit soor bouwwerken. Net zoals het strand, is de Highline een publiek gebied, dat verandert naarmate het drukker of minder druk is en evenmin als het werkelijke strand is het programma van tevoren vastgelegd. Weersgesteldheid en jaargetijden werken op beiden in en er ontstaat een wisselend beeld en gebruik. ‘But if the Highline was newly constructed, all this would be moot. Who would lift a public walkway without programme off the ground just for the sake of it? By using something [the abandoned railroad] that was already there, it gives its presence authority.’

Het thema van hergebruik en herbestemming figureert ook in het aangehaalde voorbeeld van de popup bioscoop Cineroleum die tijdelijk gehuisvest is in een verlaten benzine station aan de Clerkenwell Road in London. Het grote overstek van het benzinestation uit de jaren vijftig vormt ophangpunt voor een groot gordijn dat de publieke buitenruimte omsluit en omvormt tot een intieme bioscoop zo gauw het zakt. Cineroleum vertoont films van Barberella tot Delicatessen met groot succes. Elke vertoning verkocht geheel uit. De minimale middelen maken het leegstaande gebouw tot een ‘event’ dat slechts een paar uur per avond duurt. Als het doek weer opgetrokken wordt staart het publiek naar de overkant van de straat en ziet waarschijnlijk de passanten die met opgetrokken wenkbrauwen naar dit vreemde tafereel kijken. Geplaatst tegen de horizon van de eeuwigheid, is dit wellicht een van de kortste tijdsregisters.

Detail Katsura-complex Foto: jpellgren

‘Delight becomes firmness
Hoewel de Highline weerbarstiger is dan het kwetsbare Cineroleum, waar een stevige windvlaag al een filmvertoning verstoort, geldt voor beiden dat zorg en – in Rowan Moore’s woorden – liefde voor het gebouw het fundament vormen. Als extreem voorbeeld stelt hij de traditionele Japanse architectuur en tuinarchitectuur voor. Fragiel van karakter en constructie overleven sommige bouwwerken en tuinen  generaties van gebruikers.Japanese architecture is fragile, people like it and care for it’ en ‘[…] architecture that needs to be thoughtfully and consciously used, like the stepping rocks of Japanese architecture, lasts long‘. Rowan Moore projecteert Vitrivius op de architectuur van het Katsura-complex vlak buiten Kyoto: Vitruvius said that the essentials of architecture were ‘commodity, firmness and delight’ […] The commodity of a building, its ability to serve us well, might make it delightful. If a building charms no one, and has no commodity it will also lack firmness […] If a building – like Katsura and all other temples in Kyoto – that is fragile but inspires delight it will have strength.’

‘Lina Bo Bardi, the heroine of my book’
Gebruik en liefde, het tijdsbereik van architectuur, permanentie en verandering: het zijn allemaal ingredienten voor architectuur. Rowan Moore voegt daar het idee van architectuur als achtergrond aan toe als hij het werk van zijn geliefde Lina Bo Bardi beschrijft. In zijn boek figureert haar werk meerdere malen. De belangstelling voor haar werk groeit, ondanks dat ze lange tijd in de schaduw stond van bekendere landgenoten zoals Oscar Niemeyer. Het huis dat ze voor zichzelf en haar man bouwde in Mata Atlantica, werd in hetzelfde jaar opgeleverd als het Fansworth House. ‘Casa di Vidro’, een glass house, had andere intenties dan de villa van Mies. Het huis omarmt verandering. In plaats van een lichtend baken van lucht en ruimte tegen een achtergrond van natuur, vormt het zelf een bescheiden achtergrond. Het is bedacht en gebouwd op de oorspronkelijke plek van het regenwoud dat Sao Paulo omringde. ‘It was planned for the trees to grow and surround it again, becoming a tree house among the tree tops.‘ De afwerking van de kolommen in de woning en de kozijnen is totaal anders dan in het Farnsworth House, het is alledaags en eenvoudig. Het huis is bedoeld als achtergrond voor het leven in en rond de woning.

Ana María León

Haar ontwerp voor de SESC Pompéia, een sociaal-cultureel centrum gevormd uit een leegstaand fabrieksgebouw in Sao Paulo is een krachtiger voorbeeld. Het gebouw werd al gebruikt door wijkbewoners om er in en rond te barbecuen, dus overtuigde ze haar opdrachtgevers om een eenvoudig houtconstructie in de fabriek te bouwen die het gebouw tot een groot indoor park omvormt. Het zijn dezelfde simpele middelen en hetzelfde sociaal-cultureel engagement dat we eerder dit jaar al zagen in Urban Think Tank’s Torre David. Slim gebruik van een stelsel van goten gevuld met kiezels, maken van de seizoensgebonden stortbuien een ‘festival van water’. Rowan Moore betoogt dat door het publieke gebruik van het gebouw en terrein, dat enkel maar versterkt wordt door Bo Bardi’s minimale maar liefdevolle ingrepen, het gebouw nooit af is, het verandert mee met het gebruik ervan.

‘I am a believer of the present, not of the escape into the future and past’ Het was een huiselijke avond, een kleine groep toehoorders en een even ontspannen Rowan Moore. Dat droeg bij aan de charme van de lezing en maakte het mogelijk om na de lezing met Moore van gedachten te wisselen. Wat betekent dit betoog voor ons ontwerpers? In ieder geval pleit dit voor een andere praktijk van geschiedschrijving en kritiek. Zoals ik al schreef pleit het voor een architectuurjournalistiek die gerealiseerde projecten niet beschouwt als compleet en afgerond. Sterker nog, het pleit voor een herinterpretatie van oud werk tegen de horizon van veranderend gebruik. Als architectuurkritiek de representatie van een gebouw analyseert dan moet die representatie niet als onveranderbaar beschouwd worden. ‘Buildings have to represent something, yet they can’t be a fixed representation as the world changes. A building that is perceived as oppressive by one generation, can be loved later. […] Architecture is open to re-evaluation, always incomplete.’ Die gesuggereerde vrijblijvend van herinterpretatie is volgens mij een oprechte moreel oproep: herinterpretatie móet als we architectuur willen begrijpen.